Rumi: ‘Ik wist nimmer dat God ook naar ons verlangt’ – 1

0

Over de mystiek van de Islam

Paul Mulders

Lezing Zwolle, 13 november 2012

deel 1 – deel 2 –  deel 3 – deel 4

Wie spreekt er woorden met mijn mond?

Mevlana Rumi [1]

De hele dag denk ik er over, ‘s avonds zeg ik het:
waar kom ik vandaan, en wat word ik verondersteld te doen?
Ik heb geen idee.
Mijn ziel komt van elders, zoveel weet ik,
en ik neem mij voor daar te eindigen.

Deze dronkenschap begon in een andere kroeg.
Wanneer ik terugga naar die plaats
zal ik volkomen nuchter zijn. Ondertussen
ben ik als een vogel van een ander continent,
die hier in deze dierentuin zit.

De dag zal komen dat ik wegvlieg,
maar wie hoort nu in mijn oor mijn stem?
Wie spreekt er woorden met mijn mond?

Wie kijkt er naar buiten met mijn ogen? Wat is de ziel?
Ik kan niet ophouden zulke vragen te stellen.
Als ik een teugje van het antwoord zou proeven
zou ik uit de gevangenis ontsnappen om te gaan drinken.

Ik ben hier niet met mijn instemming gekomen
en ik kan hier niet op die manier weggaan.
Wie mij ook hier gebracht heeft zal mij naar huis moeten brengen.

Deze poëzie. Ik weet nooit wat ik ga zeggen.
Ik plan haar niet.
Als ik haar niet opzeg
word ik heel rustig en dan spreek ik zelden.

Mevlana Rumi (1207-1273)

U hebt mij gevraagd om vanmorgen te spreken over de mystiek van de Islam. Ik ben blij dat ik dat mag doen en ik hoop dat u na afloop ook blij en tevreden bent. Ik zou een lezing kunnen houden over het ontstaan van die mystiek vanuit een historisch perspectief, te beginnen bij Mohammed en Zijn metgezellen, de eerste mystici of Soefi’s, de ontwikkeling van die mystiek naar thema’s en volle wasdom. Over de groei en ontwikkeling van de verschillende ordes, het hoogtepunt van de mystiek van de Islam in de dertiende en veertiende eeuw en zijn belangrijkste vertegenwoordigers. En tenslotte over het verval ervan en wat er heden ten dage nog van over is. Als ik dat zou doen zouden we aan het eind van mijn lezing heel wat meer weten. We zouden met meer informatie en kennis naar huis gaan, behalve van de mystiek van de Islam zelf.

Ik wil spreken van de mystiek van de Islam — dat met een niet helemaal gelukkige term ook wel soefisme wordt genoemd — maar niet, of zo weinig mogelijk, er over. Ik denk dat ik u de mystiek van de Islam alleen goed kan overbrengen als ik trouw ben aan de geest ervan, en die geest is de Geest zelf. Ik wil over de mystiek van de Islam spreken vanuit zijn hart, rechtstreeks, om het levendig, invoelbaar te maken, zodat u straks naar huis gaat en kunt zeggen: ik heb er in mijzelf iets van verstaan, er een smaak van gekregen.

De Samenspreking der Vogels

Er bestaat een klein en mooi verhaal van een van de mystici van de Islam, Faridoen Attar, een apotheker uit de bazaar, die in de twaalfde eeuw in Nishapoer, in het huidige Iran leefde. Het komt uit zijn prachtige episch leergedicht ‘De Samenspreking der Vogels’. Het gaat over een groep vlinders die zich voorgenomen hebben het geheim van de vlam van een kaars te leren kennen. U weet wel, vlinders of motten worden onweerstaanbaar aangetrokken door het licht, door de vlam van een kaars bijvoorbeeld. Attar of ikzelf spreken weliswaar vaak in beelden, maar het gaat over ons, het geheim van ons leven, over onze hunkering dat geheim te leren kennen. Ik lees eerst het verhaal voor:

Detail van het kaft van het epos van Farid_al-Din_Attar
“De conferentie van de vogels” [2]

Op een avond verzamelden zich een groep vlinders fladderend bij elkaar. Ze wilden de waarheid te weten komen over het licht van een kaars dat ze ergens in de verte gezien hadden. Ze besloten erop uit te gaan om te ontdekken wat het was en om nieuws te vergaren over die moeilijk te onderscheiden en te bepalen gloed daar in de verte.

Een van hen vloog weg totdat hij in de verte een paleisvenster onderscheidde waar de kaars brandde. Hij vloog niet dichterbij, maar keerde weer om aan de anderen te vertellen wat hij dacht dat hij gezien had. De leider van de groep vlinders wees dit van de hand. Hij zei, ‘Hij weet nog niets van de vlam’.

Een andere vlinder die ijveriger was dan de vorige vloog er vervolgens op uit. Hij vloog naar het paleis en passeerde de deur. Hij fladderde een poosje in het schijnsel van de vlam, merkte hoe heet die was, brandde er bijna zijn vleugel aan en vloog toen weer terug om te vertellen hoe ver hij geweest was, wat hij had gezien en had ondergaan. De leider van de vlinders zei. ‘Je draagt nog niet het teken van iemand die gepeild heeft hoe de kaars schijnt’.

Toen vloog er een derde vlinder uit, en hij maakte in zijn duizelige vlucht het licht van de kaars het hof. Hij zweefde boven het licht en in zijn hartstochtelijke vlucht vermengden zich het vuur en hijzelf in hun dans. De vlam omvatte zijn vleugeltoppen, lichaam en hoofd. Zijn hele wezen gloeide een krachtige doorzichtige rode gloed. Toen de leider plotseling die rode vuurgloed zag zei hij, ‘Deze vlinder weet het. Hij kent de waarheid die we zoeken, de verborgen waarheid waarvan we niet kunnen spreken. Je kunt je lang gekoesterde doel niet bereiken als niet eerst aan lichaam en ziel voorbijgaat. Als er maar één stukje overblijft, dan zul je je terugtrekken en je in wanhoop storten. Geen schepsel kan hier toegelaten worden als hij niet helemaal zijn identiteit opgeeft. Deze vlinder had het ware leven gevonden’.[3]

Dit is maar een verhaal, maar in werkelijkheid is het natuurlijk een allegorie. In de mystiek van de Islam staan die drie vlinders voor verschillende vormen of trappen van kennis van de laatste werkelijkheid, van God zo u wilt. Die werkelijkheid wordt vertegenwoordigd door het element vuur, zoals Mozes God ontmoette in de nabijheid van een brandende braambos. De eerste vlinder staat voor de zekerheid die voortkomt uit het horen van een beschrijving van het vuur. Dat is wat we gewoonlijk onder ‘geloof’ verstaan. We hebben van ‘horen zeggen’ dat er meer is in dit leven dan we met onze eigen ogen kunnen waarnemen, iets als een ‘hogere macht’ als een ‘God’. We hebben van onze ouders of de kerk gehoord dat ons leven in de handen ligt van een God en geloven dat, maar we hebben het meestal niet zelf ondervonden, niet zelf ervaren. En we zijn best een beetje bang om dat ook echt te ervaren en daarom keren we, net als de eerste vlinder terug.

De tweede vlinder staat voor de zekerheid die voortkomt uit het zelf zien. Deze vlinder heeft met eigen ogen gezien dat er dat licht, de gloed van dat vuur was. Dat kan iemand anders hem niet meer uit het hoofd praten. Hij is erbij geweest, hij weet het uit eigen ondervinding, hij brandde er bijna zelfs éen van zijn vleugels aan: als dat niet voldoende bewijs is … Deze tweede vlinder staat voor het eigen onderzoek en ervaring van zoiets als de laatste werkelijkheid. We laten het niet meer aan anderen over, aan de kerk of de dominee, neen we willen het zelf onderzoeken. Dit is ook een beetje de fase waarin religie zich in juist deze tijd bevindt. Geloof is niet meer zoiets als iets uit de tweede hand voor waar aannemen, neen, we willen het zelf ervaren, dan pas houden we het voor waar. Hier gaat het dus niet meer om ‘geloven’ op zich, maar om ervaren, zelf ondervinden, zelf iets voor waar houden.

Dan vertrekt de derde vlinder. Hij heeft al een boel gehoord en ervaren, hij weet al het een en ander; hij weet eigenlijk, uit eigen ondervinding waar het in het leven zo al om draait. Maar toch is dat hem niet genoeg. Hij stelt zich niet tevreden met het zien van de vlammen en er even door aangeraakt worden. Hij wil voor zichzelf de waarheid en niets anders dan de waarheid. Hij wil die vlam helemaal leren kennen en kan dat niet anders dan door midden in het vuur te vliegen en er door verteerd worden. Dat is ook zijn dood, maar dat neemt hij, minnaar van het vuur, voor lief. Natuurlijk sterft hij, maar dit sterven is net zoals Jezus aan het kruis een opstanding.

Koningspage – foto Joke Koppius

Ik vertel u dit omdat ik de wens heb dat u iets van de mystiek van de Islam gaat verstaan uit eigen ondervinding, zoals de tweede vlinder. Zou ik over die mystiek praten dan kwamen we samen niet verder dan de eerste vlinder gekomen is; zou ik als de derde vlinder praten, zo die al woorden zou hebben en ik die zou kunnen spreken, dan zou u mij waarschijnlijk niet begrijpen. Want u bent vermoedelijk niet zomaar bereid om uw vingers op een mooie woensdagochtend te branden. En niet alleen niet op deze ochtend, überhaupt niet, want wie van ons wil er nu vrijwillig doodgaan? We zijn niet allemaal een Daniel in de vuuroven.

Mevlana Jalaludin Rumi

Ik heb u met het vertellen van dit verhaal al het een en ander over de mystiek van de Islam verteld. Ik wil die verder met u onderzoeken aan de hand van een tekst van een eminente vertegenwoordiger van die mystiek, de laat middeleeuwse geleerde, dichter en mysticus, Mevlana Jalaludin Rumi. Hij werd geboren in het huidige Afghanistan in het jaar 1207, vluchtte voor de horden van de Mongolen van Djengis Khan en vestigde zich na enkele jaren zwerven in Konya, Turkije, het Iconium van de apostel Paulus. Daar stierf hij in 1273.
Hij was een tijdgenoot van Franciscus van Assisi en veel meer dan dat: beide mannen delen met elkaar dat ze ‘minnaars van het leven’ zijn, fideli d’amore, vlinders van het derde soort, van het soort dat wij liever uit de weg gaan omdat het zoveel van ons vraagt, omdat het zo onvoorstelbaar heet is om midden in het vuur te gaan staan.
Dat wist Jezus ook toen hij zich op het kruis, het offer van dat vuur voorbereidde in de Hof van Olijven. Ik heb die tekst uitgedeeld, opdat u de verschillende stappen van mijn verhaal nauwkeurig kunt volgen. Laat ik het eerst in zijn geheel vertellen.

Een dichter begon tijdens een banket te zingen.
Hij zong rechtstreeks tot God in de toestand van Alast,
het oorspronkelijke verbond tussen God en Mens in het Voor-Bestaan.

Onder de dekmantel van woorden en melodie
zong hij tot de dronken Turken
van binnenin dat Geheim.

Ik weet niet wie of wat Jij bent, of wat Je
Van mij wilt. Welke dienst, welke woorden.
Hoe Jij mij naar Je toetrekt. Met de Maan?
Met bloed? Ik weet het niet,
Ik weet het niet.
Ik weet het niet.

Alles wat hij doen kon was zijn lippen te openen en het
Ik weet het niet,
naar buiten laten komen.

De hoofdman van de dronkaards sprong op en greep een strijdknots.
‘Deze vent werkt op mijn zenuwen. Ik zal hem
op zijn hoofd slaan en zijn litanie doen ophouden.

Als je het niet weet, pummel, verdwijn dan met deze onzin!
Zeg iets dat je wel weet, bijvoorbeeld waar je vandaan komt!

Misschien zeg je, Niet van Balkh,
Niet van Herat,
Niet van Baghdad,
Niet van Mosoel of Tiraz.

Met je ‘Niet, niet’ neem je ons over de hele wereld mee.
Wat heb je voor ontbijt gehad, vanmorgen?

Geen geroosterd vlees,
Geen glas wijn,
Geen spies kebab,
Geen brood gedrenkt in jus,
Geen linzen.

Vertel me één positief ding en maak dan dat je weg komt!
Waarom al dit ‘ge-neen’, dit ‘niet dit’ en ‘niet dat’?’

Omdat God je ontsnapt totdat je alles ontkend hebt.
Ik speel de wijs van NEEN om JA te krijgen. Jij lijdt,
maar niet voldoende om te sterven. Jouw ladder mist
twee sporten, daarom kun je het dak niet bereiken.
Het touw van de put is een meter tekort voor het water.

Jouw schip zal niet zinken,
totdat je de laatste gewichtsteen erin legt.

Die laatste steen is de scherpe morgenster
die ‘s avonds opkomt en jou doet handelen.

Wanneer het schip van zelfbewustzijn zinkt,
wordt het het blauw hemelgewelf
met de zon daarbinnen in.

Jij bent nog niet gestorven. Je lijden duurt voort.
Wees uitgedoofd in de dageraad,
lieflijke kaars van Tiraz!

Als de Zon opkomt, moeten al onze sterren zich verbergen.
Sla jezelf met de strijdknots. Verbrijzel het ego.
Je lichamelijke oog is een prop katoen in je oren.

In feite val je jezelf aan.
Je ziet jezelf in mijn spiegel,
zoals de leeuw die naar een bron sluipt
om zijn gelijkenis in het wateroppervlak aan te vallen.

Er bestaat op dit moment geen manier,
om God bekend te maken dan door eerst de verschijningen van
niet-God te ontkennen’.

Sterf aan hoe je bent.
De kindertijd sterft en wordt rijpheid.
Er sterft wat grond en het wordt goud.
Droefheid verandert in vreugde.

Mohammed zegt, ‘Als je een dode man
te midden van de levenden wilt zien lopen,
kijk dan naar Abu Bakr.
Kijk naar zo iemand,
en geloof in Opstanding’.

De tekst begint met ‘een dichter’. Er staat niet ‘een zekere man’ of ‘er was eens iemand’, of ‘een gelovige zei’. Er staat ‘een dichter’ en dat is geen toeval. Het gaat nog steeds, zoals in heel deze lezing, over de vertelling van de vlinders. Een dichter is iemand die verwant is met de derde vlinder, die bloednieuwsgierig is naar de werkelijkheid achter de alledaagse werkelijkheid van vormen en verschijnselen. Hij kan het niet laten allerlei vragen te stellen die ook in het gedicht waarmee ik deze lezing begon gesteld werden: ‘Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe? Wie spreekt er woorden met mijn mond?’
Een dichter is iemand die, zoals het woord zelf al zegt, dichter bij het vuur wil komen, die iets wil opvangen van het Onuitsprekelijke, het Onnoembare, en daarvoor zijn oor te luisteren legt bij de kieren, bij de ruimte tussen de stenen, in de stilte van de nacht.
Het is niet voor niets dat Rumi deze tekst begint met ‘een dichter’. Hij roept ons lezers op ons ermee te vereenzelvigen. Niet vanuit ons alledaagse bestaan, vanuit de tredmolen van het bekende en vanzelfsprekende, neen door open te zijn voor het onbekende, het nieuwe, dat wat tussen de vanzelfsprekendheden door oplicht, zoals een vuurtoren de duisternis in een kort moment verlicht.

De dichter waagt zich heel dicht, akelig dicht bij het vuur. En dan gaat het verder:

‘Hij zong rechtstreeks tot God in de toestand van Alast, het oorspronkelijke verbond tussen God en de mens in de vooreeuwigheid’

Voor christenen is dat even fronsen. In de Islam is dit een hele bekende en geliefde uitdrukking. Voluit gezegd luidt die, ‘Alastu rabbikum? Na’am’. ‘Ben ik niet jullie Heer?’ Ja, wij getuigen hiervan tot in het einde der dagen’.
In het christendom kennen we dit verbond vanuit de vooreeuwigheid niet zo expliciet. Er is het verhaal van de regenboog die aan Noah vertoond werd; die, na de vreselijke zondvloed, als teken van het onverbrekelijke verbond van God met de mensen is gaan gelden. Maar voor Moslims bestaat er een verbond van God met de mensen die voorafgaat aan de historische tijd, die in de vooreeuwigheid werd gesloten en onverbrekelijk is. Het is een tijd die nog voor het Paradijs ligt, toen we nog slechts een gedachte waren in de geest van God.
Psalm 139 komt daar vanuit de joodse bijbel en het christendom nog het dichts bij: ‘Ik kende jou al voordat je in de moederschoot werd geboren. Ik kende je gaan en staan, je lopen en zitten…’, maar het heeft niet dat ondubbelzinnige karakter van en verbond, van trouw en van willen getuigen. Het ‘Na’am’ ‘Ja, wij getuigen ervan’ is een bevestiging van de uitgestoken hand die God, of Allah, ons ieder moment aanreikt. Want de geest heeft zijn oorsprong in werkelijkheid nimmer losgelaten, ook al beseffen we dat doorgaans niet.

‘Onder de sluier van woorden en melodie zong hij tot de dronken Turken van binnenuit dat Geheim’, zo gaat de tekst verder. De dichter, de mysticus gebruikt woorden om het Onuitsprekelijke, dat waar geen woorden voor zijn, uit te drukken. Woorden zijn een dekmantel, de dichter/mysticus Rumi is een undercover agent van God, in dienst van Alast, van de stem uit de vooreeuwigheid. Wat is dat voor een stem?

Een gemiddelde dichter of mens is zich al lang niet meer bewust een gedachte in de geest van de Ene te zijn, maar leeft en werkt hier op aarde en doet, als het nodig is, de afwas en brengt zijn kinderen naar bed. Er is, wil ik maar zeggen, natuurlijk iets, zo niet veel, van de kracht van de oorspronkelijke beaming, van het ‘Ja, wij getuigen dat U onze God bent’ verloren gegaan. We hebben daar nog slechts een vage herinnering van, van dat oorspronkelijke ‘Ja, Wij getuigen’. ‘Eigenlijk’, zeggen we dan, ‘weten we het wel’, en dat ‘eigenlijk’ is de uitdrukking van de afstand tussen hemel en aarde zoals we die in ons dagelijks leven ervaren. En het is dit blijven knagen of opspelen van die herinnering, van de herinnering aan die oorspronkelijke zuiverheid waarin we als zielen leefden — zeggen de Moslims — dat ons weer op weg naar die Ene terug brengt. ‘Er moet toch iets meer zijn!’ voelen en zeggen we dan. ‘Er is toch een hogere macht, dit kan toch niet alles zijn?’

Dat is die halfhartige toestand, de toestand van de eerste vlinder die ‘ergens’ iets gehoord heeft, ergens een fluistering vernomen heeft. Maar de dichter is al aan het eind van de tweede vlucht, zijn vleugel is al bijna verbrand. Hij zegt tegen de dronken Turk — en daarmee bedoelt Rumi in deze tekst ieder van ons — : ‘ik heb het zelf allemaal onderzocht, ik heb allerlei vragen gesteld, ik ben zover gegaan als ik kon, ik ben uitgeput, ik heb geen adem meer. En ik heb U nergens kunnen vinden’. Kijk wat hij zegt: ‘Ik weet niet wie of wat Jij bent, of wat Jij van mij wilt. Welke dienstbaarheid, welke goede woorden. Hoe haal je mij naar Jou toe? Met behulp van de Maan? Door middel van mijn bloed? Ik weet het niet. Ik weet het niet. Ik weet het niet’.

Driemaal iets zeggen is scheepsrecht. Dan rest er niets meer, dan ben je tot het uiterste gegaan. Dan meen je het echt! De dichter is hier een authentieke exponent van wat in de christelijke mystiek de via negativa, de weg van de ontkenning, genoemd wordt. Dat wil zoveel zeggen dat je over God niet kunt spreken dan door te ontkennen. Maar er wordt hier, voor wie goed luistert, toch nog wat meer gezegd. Het is echt iets heel anders dan een gemakkelijke, uit gebrek aan religieuze honger voortgekomen ‘God-is-dood’-theologie.

De kern van de Islam en dus van de mystiek van de Islam

La illaha Il’Allah

De kern van de Islam en dus van de mystiek van de Islam — net als overigens van de twee andere monotheïstische godsdiensten — is de heilige uitspraak:

‘La illaha Il’Allah, Neen, er is geen god dan God’.

Ik ken geen religieuze uitroep, formule zo u wilt, die kernachtiger en krachtiger is. Hij is de alfa en de omega van de mystici, de lokroep van de tweede en de derde vlinder, de ontroerend authentieke hartenkreet van de dichter tegenover de Turk, van de gelovige tegen de ongelovige. De dichter zegt: ‘ik heb alles onderzocht, ik heb alle vragen die er maar gesteld konden worden gesteld, ik heb in mijn vuur zelfs toegestaan dat mijn vleugel verbrand werd, en nog kan ik niet zeggen wie U bent. Ik weet het niet’. ‘Ik heb alle goden met een kleine g, alle afgoden dus onder ogen gezien, ik heb al mijn beelden en afgoden tegen het licht gehouden en verworpen. Ik heb mij in de schoenen van Abraham verplaatst die hetzelfde deed, die voor geen god, geen afgod, niet voor de zon, de maan, de sterren wilde buigen dan voor die Ene, die God met een hoofdletter en ik heb U niet gevonden. Ik buig voor mijn niet-weten’.

De weg van de mysticus

Dat is de weg van de mysticus. Abraham, Ibrahim wordt daarom in de Islam ‘Al Khalil, de vriend van God’ genoemd. Abraham was de eerste wiskundige, de man die de veelvoud van concrete verschijnselen met al hun geuren en kleuren voor het eerst in de menselijke geschiedenis terug bracht tot Eén. Hij kon alleen om zo te zeggen, een getal voor ‘de’ werkelijkheid houden, want al het andere was bepaald, had een hoedanigheid, had een werkelijkheid in deze wereld. ‘Een’, ‘de Ene’ onbepaald en van alles ontdaan, was voor hem de noemer die aan alle geschapen dingen gelijkelijk ten grondslag ligt. ‘Een’. Dat is tawhid, de essentie van de Islam als religie en dus van de mystiek van de Islam. Er bestaat geen helderder scheidsoort, dat wat de Islam van de andere religies onderscheidt, dan deze nadruk op de eenheid van alle bestaan, de absolute grond van alle Zijn. ‘Er is geen god dan God’, niets dan de Ene, geen andere werkelijkheid dan de Ene Werkelijkheid. Er is maar Eén Absoluut Zijn.
Bij mijn weten drukt vanuit de christelijke traditie alleen Meister Eckhart zich op een verwante manier uit.

Daarop voert de mysticus van de Islam, daarop voert Rumi alle leven terug. En wij zijn, vanuit dat gezichtspunt dat de profeet Abraham voor ons opdelfde, deel van dat Ene Zijn, wij maken daar deel vanuit zoals onze hand deel uitmaakt van ons lichaam en willekeurig of onwillekeurig doet wat er van hem gevraagd wordt. Vanuit het gezichtspunt van de mystiek van de Islam bevinden wij ons feitelijk al in God en zijn daar, behalve in de illusie van onze onwetendheid, nimmer uit vertrokken. Maar wij doen het liever met de eerste of de tweede vlinder, want dat is niet zo heet. Wij hechten ons nog aan de ‘afgoden’, aan iets of alles wat nog naast of zelfs boven de Ene God staat, of het nu om ons materiële bezit, het beeld dat we van onszelf of een ander hebben, of om onze trotse meningen en hardnekkige oordelen gaat. De mysticus, de dichter, verlangt dat er niets, maar dan ook niets, tussen hem en zijn Heer staat, zoals op de dag van Alast, de tijd van de vooreeuwigheid. Hij verlangt, zoals de derde vlinder, alles uit de weg te ruimen wat tussen hen en zijn Heer staat en beseft tenslotte dat hij dat zelf is: zijn zelf, zijn ego staat tussen hem en zijn Heer in. Hij heeft van zichzelf een afgod gemaakt, zijn laatste afgod, en dat zelf moet in het vuur verbranden, verteerd worden om helemaal op te gaan in de Ene. Hij ontdekt het laatste geheim voor de intrede in het grote Geheim: dat hij het zelf is die God in de weg staat, dat hij tussen God en God in staat, en God alleen ten volle kan ervaren en toelaten als hij zichzelf uit de weg gaat. ‘Verbrijzel het ego’ zegt Rumi in de tekst.

Hoe komt hij tot die laatste daad van ontkenning en overgave van zichzelf? Door zoals de dichter in het verhaal van Rumi, en onze leermeester Abraham vanaf het begin af aan te ontkennen. Te erkennen dat hij het niet weet. Voor ons, gepersonifieerd in de Turk, werkt dat flink op onze de zenuwen. ‘Kom nou! Ik mij zelf opgeven, uit de weg ruimen!’. De Turk is nog geïrriteerd, beledigd, het trotse ego voert nog de bovenhand. Maar diep onder die boerse trots ligt een grote angst. De angst dat hij er helemaal niet toe doet, dat zijn ‘ik’ er niet toe doet, dat hij in zijn kleinheid moet toegeven, dat zijn bestaan in alles geheel afhankelijk is van die Ene God.

‘Totdat je alles ontkent, ontsnapt God jou’, zegt de tekst. ‘Ik speel het spel van het ‘Neen’’ zolang tot er een ‘Ja’ uitrolt. Neen, er is geen god dan God. Dan de Ene. Er wordt wel gezegd dat ‘Ja’ een ander woord is voor God. Het is de klank van het ‘Na’am, ja, wij getuigen dat U onze Heer bent’. ‘Ja’ is een ander woord voor God. Dat kennen wij ook uit ons eigen leven maar al te goed. Elk ‘ja’ dat we horen heeft een prachtige, ruimte scheppende klank, of het nu een spontaan antwoord is op een hulpvraag of het ja-woord dat twee mensen elkaar geven. Maar ‘Neen’, het nee, er is geen god dan God, eerst de ontkenning is bijkans nog belangrijker.
De dichter Rilke zegt in een van zijn brieven waarin hij iemand naar aanleiding van en sterfgeval troost: ‘Das Nein ist der eigentliche Ja-sager’. En zo is het. Door het ‘neen’, door de ontkenning van wat niet-God is, komen we tot het ‘ja’.

Rumi zegt, ‘Je schip zal niet zinken, totdat je er de laatste gewichtsteen op geplaatst hebt’. Het schip is het schip van het trotse zelfbewustzijn, van de autonome mens van deze tijd die denkt dat hij geen God nodig heeft, dat hij zelf voor god kan spelen, dat hij onafhankelijk en eigen baas in huis is. Die laatste steen is het uiteindelijke opgeven van het ‘ik, van de illusie van het onafhankelijke bestaan van het ‘ik’. Het ‘ik’ is een contractie, een samentrekking van lichaam en verstand, van overlevings- en zelfhandhavingsinstinct, maar het heeft niet meer werkelijkheid dan een slechte gewoonte. Het is, op de keper beschouwd, een verdediging tegen niets en niemand, maar uit gewoonte o zo sterk. Zie hoe de Turk — nogmaals dat zijn wij zelf — zich verdedigt. Tegen de stroom van ontkenningen van de dichter, de Godzoeker, de derde vlinder, stelt hij de macht van een strijdknots, een morgenster, zo’n wapen met veel punten in de vorm van een ster aan het uiteinde. Maar hij komt niet verder dan wat machteloos zwaaien en Rumi merkt fijntjes op dat hij in feite zichzelf aanvalt. Hoe harder we ‘ik’ zeggen of roepen, hoe harder we worden, en hoe meer pijn we daarvan ondervinden. We versterken daarmee alleen maar ons ik-eiland, en voelen ons als gevolg daarvan alleen maar geïsoleerder en eenzamer.

De mystiek van de Islam draait om het ‘neen’ zeggen

De mystiek van de Islam draait om deze ontkenning, om het ‘neen’ zeggen. Hij vertrekt en eindig bij het ‘Neen, er is geen god dan God’. Het eerlijke en oprechte onderzoek van onszelf naar wie we werkelijk zijn, waar we vandaan komen en waar we na de dood naar terugkeren, zoals de dwaze dichter in deze tekst doet. Een beroemde uitspraak van Mohammed luidt: ‘Wie zichzelf kent, kent zijn Heer’. Als wij maar lang genoeg vragen stellen, bedoelt hij, als wij maar lang genoeg onderzoeken wie we werkelijk zijn, komen we onvermijdelijk bij onze Heer, bij dat Ene uit; bij de Grond die ons draagt, bij de Liefde krachtens welke wij bestaan, bij de ervaring en dan de zekerheid, vlinder twee en drie, dat we geliefd worden al voor we uit onze moederschoot werden geboren.

Maar dat gaat niet zomaar. Want de weg van het onderzoek en de daaropvolgende de ontkenning, van het zien dat we dit niet en dat niet zijn is een pijnlijk en smartelijk proces. In de mystiek van de Islam wordt dat proces van ontkenning samengevat in een andere befaamde uitspraak van Mohammed: ‘sterf voordat je sterft’.
Dat is de weg van de mysticus, van de derde vlinder. Hier in dit leven doodgaan voordat we dood zijn. Doodgaan aan wat we in feite niet zijn: we zijn niet voor wie we ons houden, we zijn niet het beeld dat we van onszelf hebben en koesteren, dat wat we menen te zijn; we zijn niet ons ‘ik’ dat zich narcistisch tegenover andere ‘ikken’ te weer stelt die op hun beurt hetzelfde doen; we zijn niet, zoals zoveel mensen in deze tijd geloven, ons geld, huis of tweede huis of onze beleggingen; we zijn niet onze kinderen en de manier waarop we willen voortleven in onze kinderen; we zijn niet onze wens om te doen wat we willen, onze zogenaamde vrijheid die als het moet ten koste van anderen of de publieke zaak gaat. Het loslaten van al deze gehechtheden, deze ontkenningen, deze moedige erkenning ‘dat ben ik niet echt’, zijn vormen van doodgaan. Dat is wat de profeet bedoelde met ‘ster voordat je sterft’.
‘Sterf aan hoe je bent’, zegt de tekst van Rumi. Het is eigenlijk zo natuurlijk, voegt hij eraan toe. We maken er ons toch ook niet druk over dat we eerst kinderen waren en dat nu niet meer zijn? En we verheugen ons erover dat we nu rijpe volwassenen zijn. Zijn we daarmee, als de derde vlinder, geheel door de vlammen verteerd? Is dat ons absolute einde geweest? Neen, we zijn als kinderen gestorven, maar hebben het kind in ons behouden als we rijpe volwassenen zijn. De dood is geen dood, maar een opstanding, een andere manier waarop we met onszelf voortleven. Een mysticus is een ‘dead man walking’.

Misschien kent u de gelijknamige film, de titel van deze film is afkomstig van de uitspraak van Mohammed waarmee de tekst van Rumi eindigt. Het herinnert aan dat bijzondere gesprek dat Jezus met Nicodemus had en dat over een tweede geboorte ging, nu niet uit het lichaam, een andere moeder, maar uit de geest. Wie de weg van ontkenning, van het oprechte en doorleefde ‘ik weet het niet’ gaat, wie vaak genoeg sterft voordat hij sterft, wordt opnieuw geboren. Om dan nooit meer te sterven, omdat de geest niet sterven kan. Wie de eenheid, de geest van tawhid die aan de mystiek van de Islam ten grondslag ligt, bereikt heeft, heeft het eeuwige leven.

Nicodemus vraagt tenslotte aan Jezus, ‘Maar hoe dan?’. Goeie vraag!
Soefisme, de mystieke kern van de Islam, is een antwoord op die vraag vanuit de hulpeloosheid van dat niet-weten. Het schets een weg, die de Weg van Terugkeer genoemd wordt, de weg naar de oorspronkelijke eenheid van het Alastu Rabbikum. Dat heeft het gemeen met alle mystieke leerwegen uit welke traditie dan ook. Het is de weg van de tweede vlinder, de weg van de eigen ervaring en ondervinding, van de volharding in de vragen en de ontkenningen. Niet die van het dogmatische zondaggeloof dat stil blijft staan bij het ‘van horen zeggen’ en dat, door die stilstand, eigenlijk een vorm van dood is.

Dan zal de ‘morgenster’ in ons hart oprijzen, niet als een gewelddadige strijdknots, maar als ‘de ster die door de nacht heen breekt en ons doet handelen’, zoals de tekst zegt. Die ster rijst pas als de gewichtssteen is ingezet en zijn werk gedaan heeft, als het schip van ons autonome, trotse zelfbewustzijn, van ons ‘ik’ zinkt. Het wordt dan het ‘blauwe gewelf aan de hemel, met de zon in het midden’, de eenheid die door de zon gedragen wordt.
Het doet er niet toe of we die zon, zoals Ruusbroec, een leraar van Geert Grote, Christus noemen, of zoals Rumi Mohammed. In de het gewelf van eenheid zijn alle profeten één, Christus is Mohammed en Mohammed Christus, gelijkelijk zonen van de ene Vader.

De Weg van de Terugkeer

Hoe ziet de Weg van de Terugkeer, de leerweg van het soefisme, van de mystiek van de Islam, er praktisch en concreet uit? zult u misschien vragen. Sleutel en toegang tot die Weg is dhikr of zelfherinnering, de voortdurende herinnering van ons bestaan in en door God, van Zijn Aanwezigheid in ons en van ons in Hem. De herinnering van La illaha il’Allah. Deze vorm van gebed geldt in de canonieke leer van de Islam als een vrijwillige plicht naast de salaat, het vijfmaal-daagse rituele gebed. Dhikr, als gebed individueel of gezamenlijk verricht, zet de innerlijke snaar van herinnering in trilling en doordringt langzamerhand het wezen van de derwisj, of leerling op deze weg. Hij gaat uiteindelijk trillen als een blaadje van de ratelpopulier, kwetsbaar, ontvankelijk, op de wind van de Geest. Dhikr stuwt de Moslim, letterlijk ‘degene die in overgave leeft’ op naar transformatie, de omvorming van zichzelf in de Aanwezigheid Gods, steeds gehoorzamer aan de werkelijkheid van La illaha il’Allah, Neen, er is geen god dan God.

Het polijsten van de spiegel van het hart

Door dhikr wordt zijn ziel, zijn nafs zoals die genoemd wordt, langzaam omgevormd en ontgrensd. De ruwe bestanddelen van de ziel, macht, lust, wrok, jaloezie, de muren rond zijn hart, worden gezuiverd door het vuur van zijn verlangen en hunkering; de sluiers die hem er van afhouden te zien wie hij werkelijk is worden door het voortdurende gebed dunner en opgelost. Dit is het proces van zuivering, dat bekend is uit andere mystieke tradities en in de mystiek van de Islam wel het polijsten van de spiegel van het hart genoemd wordt. Het hart is de kern van de ziel.
God zegt tegen profeet Mohammed, ‘De hemel en de aarde konden Mij niet bevatten, maar het hart van mijn volmaakte dienaar, bevat Mij. Dhikr, herinneren, is het poetsmiddel voor het zuiveren van de spiegel van het hart. De zuivere hartspiegel is in staat de werkelijkheid achter alle verschijnselen en beelden van de wereld en onszelf te reflecteren, te weerspiegelen.

Er bestaat een mooi verhaal van Mevlana Rumi die de betekenis van dit proces van poetsen beschrijft:

Aan het hof van een koning hadden eens zich vele scheppende kunstenaars verzameld die aan de verfraaiing en verfijning van de hofcultuur bijdroegen.

Op een bepaald moment deed zich een onderlinge strijd tussen twee groepen van kunstenaars, van Chinese en Griekse afkomst, voor. Die strijd dreigde zo uit de hand te lopen dat de koning besloot om het geschil door middel van een wedstrijd te beslechten. Hij gaf aan beide groepen kunstenaars elk een ruimte om hun schilderingen te maken en wel zo dat beide ruimtes tegenover elkaar lagen en door een gordijn van elkaar gescheiden werden. Hij opende zijn schatkamer voor de kunstenaars waarin zich de fijnste en fraaiste verven, pigmenten en kleuren bevonden en stelde die tot hun beschikking. De Chinezen togen het eerst aan het werk, begaven zich naar de schatkamer en zochten daar de prachtigste kleuren uit. De Grieken daarentegen maakten duidelijk dat ze geen verf en kleuren nodig hadden, maar wel veel poetsmiddelen. De eerste groep had na enkele dagen zijn schilderingen voltooid, de tweede deed niets anders dan de muren van hun ruimte zo helder schoonmaken en polijsten dat ze blonken als goud. Toen beide groepen klaar waren met hun werk, besloot de koning hun ruimtes te bezoeken en zijn oordeel uit te spreken over wie van beide groepen het fraaiste werk afgeleverd had. Eerst bezocht hij de ruimte van de Chinese kunstenaars en hij raakte opgetogen van hun zeer verfijnde, prachtige en kleurrijke werk. Toen schoof hij het gordijn opzij en keek naar de ruimte waar de Griekse kunstenaars gewerkt hadden. Op de muren van die ruimte werden de schilderingen van de Chinezen op zo’n buitengewoon fonkelende en schitterende manier weerspiegeld, dat hij buiten zinnen raakte en hen de prijs voor de fraaiste schildering toekende[4]

Ibn al-‘Arabi

Ibn al-‘Arabi[5]

In feite is wat Moslims nu tijdens de Ramadan, de heilige vastenmaand, doen een afspiegeling hiervan. Zij stellen zich deze maand in het bijzonder open voor taqwa, wat wij zouden noemen ‘de vreze Gods’, de beleving van de bijzondere nabijheid van de Ene in het godmenselijke betrekkingsgebeuren. Door te vasten, door zich van zaken zoals eten en drinken, roddel en seks te onthouden, verlangen zij hun ruwe ziel, hun nafs te zuiveren. Ze zijn als de Grieken in dit verhaal van Rumi. Ze doén eigenlijk niet zozeer zoals de Chinese kunstenaars, maar laten vooral iets en dat is hun voorbereiding.

Een andere grote mysticus uit de Islam, Ibn al-‘Arabi, een tijdgenoot van Rumi, zegt ‘Vasten is hoger dan vasten’. Vasten is niet iets doen, vasten is juist niet-handelen. Hij verwijst daarbij naar een woord van God aan de profeet ‘Vasten is van Mij’. Ik citeer, ‘Alle diensten van de zonen van Adam zijn van hen behalve het vasten. Vasten is van Mij en ik zal hen daarvoor belonen. Vasten is een schild. Op de dag dat je vast ben je niet obsceen naar anderen, schreeuw je niet en handel je evenmin in onwetendheid naar hen. Als iemand je desondanks verbaal misbruikt of je in een ruzie probeert te betrekken, zeg dan twee keer “Ik ben aan het vasten”.’

Ibn al ‘Arabi beschrijft hiermee feitelijk de hoogste vorm van vasten, zo men wil de mystieke vorm ervan. Is het ritueel van het vasten nog een geschapen vorm die berust op iets wat de dienaar voor zijn Heer doet, de ongeschapen, mystieke vorm drukt daarentegen uit, ‘Ik onthoud mij van voedsel omdat ik verlang te leven dat God, de Ene, mijn enige voedsel is’. Daarmee wordt vasten een uitdrukking van tawwakulvan vertrouwen. Het wil zoveel zeggen dat de Moslim of derwisj erkent dat hij op ieder moment voor zijn bestaan afhankelijk is van God en zich in zijn handelen daardoor laat leiden. Dat is vertrouwen.
Het is het gelovige vertrouwen dat christenen uitspreken wanneer ze in het Onze Vader bidden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’.

Derwisj

Draaiende Derwisjen [6]

Rumi vertelt een verhaal waarin een would-be derwisj met zijn geestelijke leraar of sheikh van de ene stad naar de andere gaat. De derwisj heeft vreselijke honger. Hij probeert dat voor zijn sheikh te verbergen, maar dat lukt niet want de sheikh is min of meer helderziend en kan zonder moeite gedachten lezen. Hij wijst hem, als hij zijn innerlijk klagen hoort, terecht en zegt dan, ‘Honger is het dagelijkse brood van degenen die God uitverkoren heeft. Als je honger hebt, moet je eigenlijk blij zijn in plaats van te klagen, want alleen door honger, het toelaten van de innerlijke honger komt de derwisj dichterbij God, bij zijn Geliefde. Wie zijn honger stilt, dooft daarmee ook zijn verlangen naar God’. Maar de derwisj kan dit niet horen en begint nu openlijk te klagen en te zuchten en uiteindelijk valt hij dood neer. Dan zegt het brood tegen de dode derwisj, ‘Jij bent alleen gestorven uit vrees voor honger, niet van de honger zelf. Kijk eens, ik, het brood, ben er nog, jij niet meer!’ En dan eindigt Rumi het verhaal met de prachtige zin: ‘Vertrouw op God. Het dagelijkse brood houdt meer van jou dan jij van hem!’.

Herinnering, om naar ons thema terug te keren, van zichzelf in God en God in zichzelf is de belangrijkste houding van de derwisj of mysticus in de Islam. Hij poetst daarmee de spiegel van zijn hart om het nog stralender te kunnen maken. Waarom zou hij dat doen? Waarom zou hij dat willen? Een hartspiegel is in staat alles te reflecteren wat zich buiten hem bevindt.

Het oog van het hart

Hoe schoner of zuiverder hij is, hoe meer hij kan reflecteren. Een derwisj of mysticus kan zo de hele wereld binnen laten en de werkelijkheid voorbij vormen en verschijnselen, voorbij de gebruikelijke manier waarop ze zich aan ons voordoen, zien. Zuivering van het hart maakt in de mysticus een nieuw orgaan van waarneming wakker, een orgaan van geestelijke waarneming. Van een zien of schouwen, dat voorbij de vormen en verschijnselen achter de dingen kan kijken, die de Ene Werkelijkheid, de goddelijke Werkelijkheid kan zien die de niet-mysticus niet kan zien en niet voor waar houdt of kan houden.

Dit orgaan van waarneming wordt ook wel ‘het oog van het hart’ genoemd. In de mystiek van de Islam wordt de mens in zijn volheid, zijn compleetheid, in wie hij door de Schepper bedoeld is te zijn of worden, als louter oog gezien. Men kan ook zeggen als ‘het oog van eenheid’. Met dit oog, met het oog van het hart, ziet de mysticus de hele werkelijkheid als één, ziet hij alleen de Ene Geliefde in alle geschapen dingen, ziet hij dat de werkelijkheid uitsluitend uit Liefde bestaat. Hij wordt gedragen door de woorden uit de Koran, ‘Overal waarheen ik mij wend, zie ik het gelaat van God’, en ‘Alles is vergankelijk behalve het Gelaat van de Ene’.
Laat ik besluiten met een gedicht van Rumi die deze werkelijkheidsbeleving, de beleving van de mysticus, uitdrukt:

Liefde zegt
‘Ik geef je dit ogenblik’

Ik zocht om mij heen naar excuses,
maar liefde kwam en
verontschuldigde mij.

Ik voel me niet langer een vreemde
met mijn hart hier
en mijn ziel daar.

Ik ontdekte dat
Hij, de Ene, hart en ziel is.
Hij was het, niet ik, die op de deur klopte,
Hij was daarbinnen.

Nu koester ik mijn eigen borst,
want daarin is Hij verborgen.

Niemand anders kent Jou;
Ik ken jou
omdat Jij mij bent.

Vormen worden een kleinigheid,
wanneer gevoel en intuïtie
zich rijkelijk vermeerderen.

Uiteindelijk
wordt een mens moe van alles,
behalve van het verlangen van het hart,
van het reizen van de ziel.

Sultan, heilige, zakkenroller,
Liefde neemt iedereen bij de oren,

en sleept ons, op geheime manieren,
mee naar God.

Ik wist nimmer
dat God ook naar ons verlangt.

  • Coleman Barks (1995) The Essential Rumi, Translations by Coleman Barks. San Francisco: Harper. Zie ook: colemanbarks.com.
    Alle in dit artikel vertaalde teksten zijn — tenzij anders aangegeven — vertalingen door Paul Mulders uit het Engelstalige werk van Coleman Barks, de Amerikaanse dichter en bekendste vertolker van Mevlana Rumi in het Westen. Barks vertolkingen zijn in de Amerikaanse stijl van het free verse. Barks wordt wel bekritiseerd dat hij daarmee aan de Islamitische inbedding van Mevlana’s verzen voorbij is gegaan.
  • Sipko den Boer en Aleid Swieringa hebben de laatste twintig jaar veel teksten van Mevlana Rumi vertaald. Zie: lightsong.info/books
  • De Mathnawi van Rumi werd eerder vertaald door Abdul Wahid van Bommel en (nog maar gedeeltelijk) door Marcel Derkse. Zie: trouw.nl/home/roemi-is-als-een-spirituele-sauna~a22bb15d.
Noten

[1] bron: Mevlana Rumi
[2] bron: de samenspraak van de vogels 
[3] Faridoen ‘Attar, Samenspreking der Vogels, Servire, Wassenaar, 1974, p. 81-82
[4] Mevlana Rumi, Mathnawi, Boek 1, 3462-85
[5] bron: Ibn al-‘Arabi 
[6] bron: draaiende derwisjen

Paul Mulders

is politicoloog, tuinman en emeritus geestelijk verzorger in de ouderenzorg. Hij is begeleider van de postacademische leergang ‘Geestelijke Leiding aan Ouderen’ van Luce/Crc aan de Katholieke Faculteit Theologie van Universiteit van Tilburg. Hij was eerder 10 jaar lang leerling in de Mevlevi-traditie, een spirituele leerschool binnen het soefisme die teruggaat op Mevlana Rumi. Hij houdt al jaren voordrachten en cursussen over deze traditie.