Onder het aspect van Eeuwigheid – 2a

0

Rationalistische en mystieke interpretaties bij Spinoza voor de Tweede Wereldoorlog

Annelie van Steenbergen

Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, februari 2004) Esthetica en cultuurfilosofie

deel 1, deel 2a, deel 2b, deel 3a, deel 3b, deel 4

‘Rijnsburgse School’ en ‘Haagse School’

Spinozahuis Rijnsbrug[1]

Spinozakenner W. Meijer, die door zijn vertalingen bijdroeg aan de herleving van het Nederlandse spinozisme na 1890, was ook degene die in 1896 door een versje[2] in de gevelsteen van een oud daglonerhuisje in Rijnsburg de woning herkende, waarin Spinoza tussen 1661 en 1663 een kamer had bewoond.
Er werd een vereniging opgericht, die het huisje kocht, herstelde en er een klein museum inrichtte. Hier bevindt zich nu onder andere een reconstructie van de bibliotheek van Spinoza.

Spinoza’s kamer in Rijnsbrug [3]

De Vereniging Het Spinozahuis stelde zich ten doel het huisje zo goed mogelijk te onderhouden en alles te verzamelen wat voor de kennis van Spinoza’s leven en werken van belang kon zijn. Nog steeds wordt de studie van Spinoza door deze bloeiende vereniging gestimuleerd.

In 1921 richtte Meijer met steun van Haagse vrienden en in samenwerking met buitenlanders als Léon Brunschvicg, Harald Høffding, Sir Frederick Pollock en vooral Carl Gebhardt, de Societas Spinozana op. Deze internationale Societas wilde door de uitgave van geschriften, in het bijzonder een jaarboek (Chronicon Spinozanum) de studie van Spinoza’s wijsbegeerte en leven bevorderen.
De eerste band van dit Chronicon verscheen begin 1922 en ondervond inderdaad ruime belangstelling in wetenschappelijk Europa en daarbuiten.[4]
Onder auspiciën van deze Societas publiceerde Carl Gebhardt zijn standaarduitgave van Spinoza’s Opera[5] en werden internationale Spinozacongressen georganiseerd.

Uit deze Societas Spinozana ontsproot in 1926/27 de stichting Domus Spinozana, die tot doel had Spinoza’s sterfhuis van de verloedering te redden.
In dit voormalig bordeel in de Haagse hoerenbuurt werden de bijeenkomsten gehouden.
In 1933 ontstond een Nederlandse afdeling met een eigen orgaan, het Spinozistisch bulletin.
De directeur, J.H. Carp, toonde steeds duidelijker sympathie voor het nationaalsocialisme. Hij trad in de oorlog toe tot de NSB en na de oorlog verdween de Societas Spinozana van het toneel.
Het huis werd beginjaren zeventig overgedragen aan de Rijnsburgse vereniging, die het op haar beurt overdroeg aan het Monumentenfonds.

De scholenstrijd als ideologische legende

Steen bij Spinozahuis Den Haag[6]

De onderscheiding tussen de zogenaamde Rijnsburgse en Haagse School komt waarschijnlijk van Benzion J. Hirsch. In een studie, waarin hij fel ageerde tegen de joodse huldeblijken voor Spinoza als ‘joods’ filosoof, onderkende hij in de veelheid van beschouwingen en interpretaties twee richtingen: namelijk de rationeel-intellectuele en de mystiek-religieuze, die volgens hem zeer scherp tegenover elkaar stonden.[7]

De eerste richting was de zuiver wijsgerige rationeel-intellectuele, die Spinoza prees:

‘omdat hij geleeraard heeft dat de rede het menschelijk vernuft dusdanig kan louteren, dat een levensweg gevonden kan worden voor den hoogsten levenswandel en levensdeugd. Een levenswandel zij het dan niet zonder God, dan toch zonder Godsbelijdenis, zonder cultus, zonder liturgie; kortom, zonder Godshuis.’

Deze richting die vanaf Spinoza’s ‘wedergeboorte’ toonaangevend was, werd onder meer vertegenwoordigd door ‘laat ons die verder noemen de Rijnsburgsche school’.[8]
Volgens Hirsch had deze rationele richting, waarvan hij Van der Tak een der meest markante vertegenwoordigers noemde, het ‘sterk mystisch element dat de Ethica inhoudt, niet aangevoeld of onderschat.’

De tweede richting, de mystiek-religieuze, die Hirsch als van zeer jonge datum beschreef, was volgens hem door de Duitser Carl Gebhardt in gang gezet. Naast deze noemde hij Carp, als voorzitter van de Haagse Societas Spinozana, en de joodse Oko (Amerika) en Léon Roth (Engeland). Hirsch: ‘Wij zullen deze richting noemen: de Haagsche school’.[9]

Hij gaf twee factoren aan, waardoor aan de ontwikkeling en propagering van deze richting een leidende rol zou worden toebedeeld. Ten eerste was men verzadigd van het kille 19e-eeuwse rationalisme met z’n antigodsdienstige tendensen, waardoor men ontvankelijk was voor mystieke en spiritistische stromingen. En ten tweede waren de Kerk en Synagoge gevoelig voor het mystiek-religieus gestemde spinozisme en gingen zich met Spinoza en zijn leer bemoeien.
Hirsch wees er op, dat zelfs de dogmatische katholieke kerk toenadering zocht.
De Duitse Pater von Dunin Burkowski en in ons land Prof. dr. Ferd. Sassen vroegen bij het Vaticaan toegang

‘voor den 17e eeuwschen eenzamen peinzer met zijn Unio mystica en pantheïstische Christusfiguur’.[10]

Zowel Dunin Burkowski als Sassen spraken zich volgens Hirsch uit voor de mystiek-religieuze beschouwingswijze.

Sassen was ook degene, die de door Hirsch geïntroduceerde tweedeling tussen de scholen zou overnemen en doorgeven. In Bij het eeuwfeest van Spinoza (1933) maakte hij gewag van een sinds lang bestaande onenigheid ‘die niet louter van zakelijke aard is’.
Van meer belang noemde hij dat zich rond de beide verenigingen de

‘dubbele interpretatie van het Spinozisme, de rationalistische en de mystische heeft gegroepeerd, zoodat men niet ten onrechte reeds van de Rijnsburgsche en de Haagsche school is gaan spreken’[11] .

Ook in zijn latere naoorlogse geschiedenisboeken hanteerde hij deze tweedeling die een hardnekkig leven zou blijven leiden.

Volgens Guido van Suchtelen, de latere secretaris van de Rijnsburgse vereniging, stoelt deze tweedeling echter niet op een juiste benaming.
Wel is het zo dat de Haagse Societas Spinozana programmatisch uit Spinoza’s denkstelsel een neospinozisme wilde afleiden en dat tot een nieuwe, religieuze wereldbeschouwing wilde verheffen en ook gaf ze in 1940 een proclamatie uit, waarin letterlijk stond, dat ‘het Spinozisme […] onder rationalistische visie een antiquiteit was geworden’.

Maar Van Suchtelen weerspreekt dat de Rijnsburgse Vereniging een specifiek rationalistische voorkeur zou uitdragen, omdat ook andere interpretaties werden gehoord tijdens de lezingen. Het beleid was verdraagzaamheid. De scholenstrijd is volgens hem een legende.[12]

Onverlet blijft echter dat de belangrijkste vooroorlogse bestuursleden van de Rijnsburgse vereniging, W. Meijer en W.G. van der Tak, die achtereenvolgens secretaris waren, zelf een sterk rationalistische interpretatie aanhielden.
Daarom zal ik hen beide opvoeren als verdedigers van de rationalistische kant van Spinoza’s filosofie.
Daar tegenover stel ik J.D. Bierens de Haan, in 1940 medeondertekenaar van de genoemde antiquiteitverklaring van de rationalistische visie en J.H. Carp als verdedigers van het mystieke element in zijn leer.
Om te beginnen behandel ik het debat tussen Meijer en Bierens de Haan, en daarna de situatie Van der Tak versus Carp.

W. Meijer (1842-1926) en J.D. Bierens de Haan (1866-1943)

Zoals in de inleiding al is genoemd moet de opleving van het spinozisme in de 19e eeuw vooral worden toegeschreven aan niet-academisch gevormde filosofen. Ook Willem Meijer en Johannes Diderik Bierens de Haan waren niet als filosoof opgeleid, maar beiden wijdden hun leven voor het grootste deel aan de wijsbegeerte.
Meijer speelde een cruciale rol bij de opbloei van vele wijsgerige verenigingen, waaronder de Amsterdamse en Haagse Verenigingen voor Wijsbegeerte. Speciaal wijdde hij zich aan de filosofie van Spinoza. Behalve de Vereniging Het Spinozahuis (1897) waarvan hij tot 1922 secretaris was, richtte hij zoals we gezien hebben, de internationale Societas Spinozana (1921) op.

Bierens de Haan

J.D. Bierens de Haan[13]

Na Meijer maakte ook Bierens de Haan gedurende meer dan twintig jaar, van 1922 tot aan zijn dood in 1943, deel uit van het bestuur van de Vereniging Het Spinozahuis, te weten als voorzitter. Evenals Meijer studeerde hij theologie, maar anders dan Meijer completeerde hij zijn studie met een promotie.[14]

In zijn dissertatie noemde hij Spinoza’s opvatting van geest ‘een stokstijve opvatting onzer geestelijke verrichtingen’ en een ‘ijsberg van denking’. Het ‘plat rationalisme’ sprak hem niet aan.[15]
Zijn belangstelling voor Spinoza werd vooral gewekt doordat hij in 1895 voor het tijdschrift De Kroniek Meijers’ vertalingen van het Godgeleerd Staatkundig Vertoog en de Ethica bekritiseerde.
In 1900 kwamen zijn opvattingen over Spinoza samen in het boek Levensleer naar de beginselen van Spinoza. Vier jaar later achtte hij in de Wijsgerige Studies het Godsbegrip van Spinoza nog steeds star en statisch, maar in 1913 toen zijn Spinozabijdrage in de reeks Uren met … Spinoza was uitgekomen, bleek dat zijn opvatting gewijzigd was.[16]

Spinoza’s tot dan toe statische wereldbeschouwing werd een hegeliaanse ontwikkelingsleer en Spinoza’s stelsel intellectuele mystiek. Toen hij dit later verder uitwerkte, werd het Meijer te gortig. Hij diende Bierens de Haan van repliek via het Tijdschrift van Wijsbegeerte.

Uren met … Spinoza bestaat uit een keuze uit stukken uit de werken van Spinoza. Hieraan voorafgaand gaf Bierens de Haan in een Inleiding blijk van zijn mening. Hij was van oordeel dat ‘de populaire theologie’ mens en God aan elkaar tegenover stelt en het geestelijk heil beschouwt als een gave door God aan de mens gegeven buiten zijn toedoen.

Uren met Spinoza[17]

De moderne theologie vereenzelvigde de gedachte van eigen kracht met die van hoogmoed en vijandigheid jegens God.
Spinoza echter erkende de eenheid en zag in de eigen kracht geen werking tegenover God, maar een werking van God zelf. Gods activiteit ligt niet buiten, maar in ons eigen wezen; en zo kon God niet anders dan in de ‘eigen kracht’ van onze rede werkzaam zijn.[18]
Spinoza deed volgens hem de stap naar religie waar hij overgaat op het liefhebben van God.

Bierens de Haan redeneerde als volgt: Als de zuivere denking van de rede door de gemoedsbeweging van de liefde wordt begeleid, dan is tegelijk met het denken ook deze liefde een handeling van God in ons. Maar Gods handeling gaat ons individueel bestaan te boven, en is op niets anders dan op Zichzelf gericht. Als nu het zuivere denken van de rede God als denker heeft, omdat de denking zijn attribuut is, en bovendien God als voorwerp – dan denkt dus God zichzelf in ons. Ons intellect is volgens Bierens de Haan de kracht waarmee God, de wereld doorschrijdend, tot zichzelf gericht is.

‘In onze rede keert God zich tot zichzelf. En tevens: God heeft zichzelf lief met een oneindige liefde (Ethica V, 35) en de menschelijk-geestelijke liefde tot God is niet anders dan deze liefde van God tot zichzelf (Ethica V, 36).
Gods liefde-tot-zich doorschrijdt de wereld als een menscheliefde tot God. Het is Gods werk al wat onze redelijkheid vermag en het is een werk tót God’.[19]

Bierens de Haan besloot zijn Inleiding met de conclusie, dat het stelsel van Spinoza wegens begin en einde mystiek is en wel een intellectuele mystiek.
Ondanks de schijn van rationalistische promptheid van de onderdelen, zei hij, toont het in zijn geheel genomen de breedheid en rust van een gemoed, waarin het kosmisch evenwicht is gevonden.

Een jaar later, in het artikel ‘Het Spinozisme als ontwikkelingsleer’ in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, kwam hij terug op deze ‘schijn van rationalistische promptheid’.
Volgens hem werd de statische beschouwingswijze geïmpliceerd door de ‘wiskundige voorliefde van Spinoza’s geestesaard’.[20]
Maar hoewel de betoogtrant en de uiteenzetting wel wiskundig zijn, is de denkmethode zelf niet wiskundig. Wiskundig denken voldoet slechts in de wiskunde, maar voor filosofisch denken volstaat het niet, ook niet bij Spinoza.
Als Spinoza het heeft over zielsfactoren alsof het lijnen en hoeken betreft, dan komt dat volgens Bierens de Haan ten eerste omdat daardoor de menselijke hartstochten met wijsgerige kalmte bekeken kunnen worden, net zoals ook driehoeken en cirkels niet geprezen of berispt worden. En ten tweede duidt het op een deductieve manier van betogen: de hoofdstellingen staan vooraan en daaruit worden de bijzondere uitspraken afgeleid. Het gaat dus niet om eigenlijke wiskundigheid, er is helemaal geen noodzaak voor de geometrische ordening.

‘Het Spinozistisch denken kan niet wiskundig genoemd, maar is gelijk alle wijsgerigheid dialektisch’; en zo is ook in Spinoza’s filosofie de dialektische ontwikkelingsgedachte vervat,’ aldus Bierens de Haan.[21]

Bij Bierens de Haan heeft Spinoza’s stelsel dus een hegeliaanse wending ondergaan. Bovendien maakte hij een stap van deze idealistische opvatting van Spinoza’s filosofie naar de mystiek.
Zijn opvatting over Spinoza’s grondgedachte van de kosmische ontwikkelingsleer, was, dat de Godheid, in de (eeuwige) schepping van een wereld buiten zichzelf tredend, aan en in deze wereld tot zichzelf terugkeert.[22] Dat wil zeggen dat de wereld een kosmisch proces is dat verloopt in twee fasen, waarvan de eerste is: de natuur als een zich-te-buiten gaan van de Godheid; de tweede is het geestesleven als een wederkeer van de wereld tot haar goddelijke grond. Zo’n opvatting van de wereld als ontwikkelingsproces is, althans volgens Bierens de Haan, waarschijnlijk afkomstig uit de oude mysteriëntraditie en van daaruit is de stap naar de middeleeuwse mystici niet groot:

‘In de leer der Middeleeuwse mystici en van Dante vinden wij een verwante beschouwing waarvan Plotinus de grondlegger is: het ontstaan van de wereld is een trapsgewijze afdaling der krachten uit het goddelijk uitgangspunt en wordt omgewend in het geestesleven, dat in de kontemplatie zijn wederkeer tot God volbrengt’.[23]

Meijer

Aan dr. W. Meijer wordt ter gelegenheid van diens 80sten verjaardag als een blijk van hoogachting en hulde dit werk aangeboden door zijne vrienden[24]

Het is geen wonder, dat de rechtzinnige Meijer hem hierop fel aanviel.
In hetzelfde Tijdschrift voor Wijsbegeerte van 1914 stond de discussie tussen Meijer en Bierens de Haan. Hierin vlogen ze elkaar niet alleen in de haren over de hegeliaanse ontwikkelingsleer die Bierens de Haan op Spinoza’s filosofie toepaste, maar ook over diens mystieke interpretatie.[25]
Wat Meijer betrof verhinderde het idealisme van Bierens de Haan een juist begrip van Spinoza’s filosofie. Zulk idealisme, zei hij, brengt alleen maar ellende voort en is volstrekt in tegenspraak met de Ethica van Spinoza. Volgens hem zag Bierens de Haan over het hoofd dat de mens volgens Spinoza pars naturae (IVSt4) is en pars intellectus infiniti (IISt11, bijkomende stelling).

Er is geen zondeval, de Godmens treedt niet buiten zich, er is dus ook geen verlossing nodig door de mensgod Christus. Als je de wereld en de mens die daartoe behoort wiskundig opvat, zei hij, dan begrijp je, dat alles is zoals het zijn moet en dan begrijp je dat de Kosmos of het Heelal onveranderlijk moet zijn of niet zijn.

‘Die ‘t anders meent, kan een Christen zijn of een Hegelaar, maar is geen Spinozist.’[26]

Ethica, W. Meijer

Meijer ontkende niet per se het nut van een ontwikkelingsleer, maar volgens hem is het een natuurkundige hypothese die voor de ontwikkeling van de plantkunde van belang is, maar die niet past in een metafysica behalve in die van Hegel.
In ieder geval vloekte een dergelijke leer met Spinoza’s wereldbeschouwing, zoals die in deel I van de Ethica is vervat.[27]
In de andere delen van de Ethica blijft, net als in elke bijzondere wetenschap, de eindige wereldbeschouwing hoofdzaak. Maar daarbij moeten we in het oog houden, zei Meijer, dat volgens Spinoza alles wat gebeurt, hoe vrij en ongedwongen het ook schijnt te zijn, toch altijd onzichtbaar verbonden is met de draden, waarmee ‘de onzichtbare leider’ het spel drijft. Wie zich ervan bewust blijft dat de menselijke geest een deel is van het oneindige verstand van God, streeft niet naar een onbereikbaar droombeeld of ideaal, maar probeert te begrijpen wat is en zal ondervinden dat hij gelukkiger is naarmate hij meer begrijpt.

‘Hij vindt de vrede met zichzelven, met zijn omgeving, en met het Al, die in de laatste Stelling der Ethica ons beloofd is’.[28]

Door het spinozisme voor te stellen als een ontwikkelingsleer benam je het stelsel naar Meijers overtuiging zijn wiskundige zekerheid.[29]

Wat betreft de mystiek bekritiseerde Meijer de lering van Bierens de Haan, dat de liefde van de mens voor God geen andere is dan de liefde, waarmee God zichzelf bemint.
Op deze uitspraak berust de mystieke voorstelling, die volgens Meijer zoveel Christenen zich van Spinoza’s wijsbegeerte gemaakt hebben.
Ook hier had Bierens de Haan, net als in zijn Uren met … Spinoza, over het hoofd gezien dat in stelling 36 van deel V van de Ethica staat dat de verstandelijke liefde van de geest jegens God een deel is van de oneindige liefde waarmee God zichzelf liefheeft.
Oudere en nieuwere mystiek is daarmee uitgesloten, verklaarde Meijer.[30]

In zijn jaarverslag van de Vereniging Het Spinozahuis van 1914 wordt duidelijk wat Meijer onder mystiek verstond. Voor hem was mystiek een zaak van het gevoel dat, als een confusa idea niets te maken heeft met de liefde tot God, die een geestelijke liefde en adequate kennis genoemd wordt. Men hoeft bij Spinoza niet naar de betekenis van de woorden te zoeken, zei hij.

‘Liefde is vreugde, begeleid door de gedachte aan een uitwendige oorzaak.
Dr. Bierens de Haan veroordeelt deze definitie. Maar eerstens heeft hij daartoe niet het recht, want ieder mag zijn eigen woorden definiëren, en tweedens zal hem, den Platonicus, toch wel bekend zijn, dat liefhebben volstrekt niet altijd transitief behoeft te zijn.
Eigenaardig is dat Bierens de Haan zelf in de Noot op blz. 101 erkent dat in de liefde het subjectieve op den voorgrond treedt en bovenal vreugde is. Maar is dit erkend, dan is daarmede tegelijk ook alle mysticisme uitgefloten.’

Volgens Meijer staat de amor intellectualis hoger dan alle mystiek. Deze ‘hoogste zielsverheffing’ heeft wat hem betreft niets gemeen met ‘bekrompen zinsverrukking’.[31]

Dit alles wil niet zeggen dat Meijer niet religieus was. Thissen wijst erop, dat hij zijn leven lang streefde naar authenticiteit of in zijn eigen woorden ‘waarachtige vroomheid’.
Voor hem betekende vroomheid het inzicht, verkregen dankzij de rede, dat leert dat alles wat werkelijk is als volmaakt moet worden beschouwd.[32]
Hij verzette zich echter tegen een mystieke interpretatie van Spinoza’s filosofie en heeft het stelsel ook nooit geïnterpreteerd als een verheven soort redelijke mystiek. Dit laatste achtte hij een contradictio in terminis.[33]
Toch schijnt Meijer, die zijn leven lang anti-kunst, anti-sport en anti-feminist was, zich op hoge leeftijd alsnog tot de mogelijkheid van een mystieke interpretatie gekeerd te hebben.

Spinoza-uitgaven en bloemlezingen
  • Spinoza, B. (1917). Uren met Spinoza: Een keur van stukken uit zijne werken. (Vertaald en van een inleiding en aantekeningen voorzien door J.D. Bierens de Haan). Baarn: Hollandia.
  • Spinoza, B. (1935). God-Wereld-Leven. Gedachten van Benedictus de Spinoza. (Inleiding en toelichting van J.H. Carp, nabeschouwing van J.D. Bierens de Haan). ‘s-Gravenhage: Albani.
  • Spinoza, B. (1977). (vertaling en inleiding door Akkerman, F. e.a.). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Spinoza, B. (1979). (vertaling van Van Suchtelen, N.). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Spinoza, B. (1982). Korte Verhandeling van God, de mensch en deszelvs welstand. In: Korte geschriften. (bezorgd door Akkerman, F. e.a.). Amsterdam: Wereldbibliotheek, pp. 221-436.
  • Spinoza, B. (1982). Vertoog over de verbetering van het verstand en over de weg waarlangs dit het best tot ware kennis van de dingen kan worden gebracht. In: Korte geschriften. (bezorgd door Akkerman, F. e.a.). Amsterdam: Wereldbibliotheek, pp. 437-491.
  • Spinoza, (2002). (vertaling en inleiding van Krop, H.). Amsterdam: Prometheus/ Bert Bakker.
  • Spinoza, B. (2002). Verhandeling over de verbetering van het verstand. (vertaling en inleiding van Verbeek, Th.). Groningen: Historische Uitgeverij Groningen.
Over Spinoza
  • Aalbers, K. e.a. (1936). Feestbundel aangeboden aan J.D. Bierens de Haan door vrienden, vereerders en leerlingen ter gelegenheid van zijn 70sten verjaardag 14 October 1936. Assen: Van Gorcum.
  • Bend, G. van der (1968). J.D. Bierens de Haan en Spinoza. Leiden: Brill.
  • Bend, G. van der (1970). Het Spinozisme van Dr. J.D. Bierens de Haan. Universiteit van Groningen. Groningen: Wolters-Noordhoff B.V.
  • Bend, G. van der (1974). Some Idealistic Tendencies in Spinoza. In: Bend, J.G. van der (red.). Spinoza on knowing, being and freedom. Assen: Van Gorcum, pp. 1-5.
  • Bierens de Haan, J.D. (1914a). Het Spinozisme als ontwikkelingsleer. In Tijdschrift voor Wijsbegeerte, jrg. 8 (1914) pp. 1-17.
  • Bierens de Haan, J.D. (1914b). Nabeschouwing over: het Spinozisme als ontwikkelingsleer. In Tijdschrift voor Wijsbegeerte. jrg. 8 (1914) pp. 186-200.
  • Bierens de Haan, D. (1895). Ethica Spinozae, opnieuw vertaald. (Recensie). In: Kroniek: een algemeen weekblad. jrg. 1, p. 405.
  • Bierens de Haan, J.D. (1895). Spinoza’s Godsgeleerd-Staatkundig Vertoog. (Recensie). In: Kroniek: een algemeen weekblad. jrg. 1, p. 93.
  • Bierens de Haan, J.D. (1902). Spinoza’s In: Berichten uitgegeven door het Utrechtsche Studenten-zending-gezelschap Eltheto he basileia sou. jrg. 56, nr.12 pp. 89-93.
  • Bierens de Haan, J.D. (1932). Spinoza, de mysticus. In: Haagsch Maandblad, jrg. 8 pp. 373-380.
  • Carp, H. (1927). Wezen en waarde van het Spinozisme. In: Chronicon Spinozanum V. ‘s-Gravenhage: Hagae Comitis, Curis Societatis Spinozanae, pp. 3-14.
  • Carp, H. (1931). Het Spinozisme als wereldbeschouwing. Inleiding tot de leer van Benedictus de Spinoza. Arnhem: Van Lochum Slaterus.
  • Carp, H. Spinoza als mysticus. In: Bierens de Haan, J.D. e.a. (1933) Spinoza, gezamelijke redevoeringen, gehouden bij de Spinoza-herdenking door de afdeeling-Nederland van de kant-gesellschaft op donderdag 29 december 1932 te Amsterdam in de Agnieten-kapel (athenaeum-illustre). Haarlem: De Erven F. Bohn, pp. 31-49.
  • Carp, H. (1938). Spinozistische en Hegelsche beschouwingswijze. In: Spinozistisch Bulletin. 1, nr. 2, pp. 33-47.
  • Carp, H. (1940). Baarn: Hollandia.
  • Deugd, C. de (1966). The significance of Spinoza’s first kind of knowledge. (Universiteit van Utrecht). Assen: Van Gorcum and Co..
  • Dijn, H. de (1975). Kritische studies. Gods attribuut Denken en Gods oneindig Intellekt bij. In: Tijdschrift voor filosofie. 37 nr.1, pp. 112-119.
  • Dijn, H. de (1975). Methode en waarheid bij Spinoza. (Mededelingen vanwege het Spinozahuis 35).Leiden: E.J. Brill.
  • Dijn, H. de (1989). Spinoza: rationalist én mysticus? In: De uil van Minerva, tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur. nr. 6, pp. 37-46.
  • Dijn, H. de (1991). Einstein en Spinoza. Delft: Eburon.
  • Hirsch, B J. (1932). Spinoza’s verhouding tot het openbarings-jodendom, aan de hand van zijn wereld- en levensleer, beschreven in zijn Ethica (7 stellingen).
  • Hubbeling, G. (1964). Spinoza’s methodology. (Diss. Universiteit van Groningen). Assen: Van Gorcum.
  • Hubbeling, (1973). Logica en ervaring in Spinoza’s en Ruusbroecs mystiek. Leiden: E.J. Brill.
  • Hubbeling, G. (1974). Logic and experience in Spinoza’s mysticism. In: Bend, J.G. van der (red.). Spinoza on knowing, being and freedom. Assen: Van Gorcum, pp. 126-143.
  • Hubbeling, H.G. (1974). The discussions at the Spinoza-symposium in Amersfoort september 10-13, 1973. In: Bend, J.G. van der (red.). Spinoza on knowing, being and freedom. Assen: Van Gorcum, 184-188.
  • Hubbeling, H.G. (1977). Spinoza’s bijdrage tot de moderne levens- en wereldbeschouwing. In: Spinoza herdacht 1677-21 februari 1977. ‘s-Gravenhage.
  • Hubbeling, G. (1977). The logical and experiential roots of Spinoza’s — an answer to Jon Wetlesen. In: Hessing, S. (red.). Speculum spinozanum. London: Routledge, pp. 323-329.
  • Hubbeling, G. (1987). De Studie van het Spinozisme in Nederland sedert de Tweede Wereldoorlog. (Mededelingen vanwege het Spinozahuis 50). Leiden: E.J. Brill.
  • Klever, W.N.A. (1986). Verhandeling over de verbetering van het verstand. Baarn: Historische Uitgeverij.
  • Krop, H. (1998). Filosofie als levensleer: De spinozistische en hegelse beschouwingswijze in het interbellum. In: Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland: documentatieblad Werkgroep “Sassen”, jrg. 9, nr. 1/2 pp. 26-42.
  • Krop, H. (1999). Johan Herman Carps spinozistische kritiek op de parlementaire democratie: een wijsgeer tussen nationaal-socialisme en conservatisme. In: Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland: documentatieblad Werkgroep “Sassen”, jrg. 10 nr. 1, pp. 62-74.
  • Meijer, W. (1905). Inleiding. In: Benedictus de Spinoza, Op meetkundige wijze uiteengezet. Amsterdam: Uitgeverij S.L. van Looy, pp. I-VIII.
  • Meijer, W. (1914a). De ontwikkelingsleer en het Spinozisme. In: Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 8, pp. 176-186.
  • Meijer, W. (1914b). Verweer tegen de nabeschouwing van Dr. D. Bierens de Haan, met kort naschrift van Dr. J.D. Bierens de Haan. In: Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 8, pp. 299-313.
  • Sassen, F. (1933). Bij het eeuwfeest van Spinoza. In: Thomistisch Tijdschrift. IV, pp. 55-68.
  • Sassen, F. (1944). Wijsbegeerte van onzen tijd. Nijmegen: Dekker & van de Vegt.
  • Sassen, F. (1959). Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland, tot het einde der negentiende eeuw. Amsterdam: Elsevier.
  • Sassen, F. (1960). Wijsgerig leven in Nederland in de twintigste eeuw. Amsterdam: Noordhollandsche Uitgeversmaatschappij.
  • Suchtelen, G. van (1984a). Het Spinozisme van Jan van Vloten. De romantische aard van een naturalist. In: Bulletin 121, pp. 20-23.
  • Suchtelen, G. van (1984b). Waarheid en verdichtsels omtrent het Spinozahuis. Een causerie. In: Bulletin 121, pp. 36-42.
  • Tak, W.G. van der (1932). Spinoza’s persoonlijkheid. In: Bierens de Haan, J.D. e.a. Benedictus de Spinoza Drietal redenen ter gelegenheid van de 300ste verjaring zijner geboorte uitgesproken in de Agnietenkapel te Amsterdam. Leiden: A.W. Sijthoff.
  • Tak, W.G. van der (1960). Bento de Spinoza. (Herdruk van 1928). ‘s-Gravenhage:
  • Tak, W.G. van der (1984). Willem Meijer, de Vrijdenker-Spinozist. In: Bzzlltin 121, pp. 33-35.
  • Thissen, S. (2000). De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907). Den Haag: Sdu uitgevers.
  • Wetlesen, J. (1974). Normative reasoning in Spinoza; two interpretations. In: Bend, J.G. van der (Ed.). Spinoza on knowing, being and freedom. (Proceedings of the Spinoza symposium at the International School of Philosophy in the Netherlands, Leusden, September 1973). Assen: Van Gorcum, p. 162-171.
  • Wetlesen, J. (1977). Body awareness as a gateway to eternity: a note on the mysticism of Spinoza and its affinity to Buddhist meditation. In: Hessing, S. (red). Speculum Spinozanum 1677-1977. London: Routledge, pp. 479-494.
Overige
  • Spinozana, 1897-1922: bevattend uittreksels uit de jaarverslagen van den secretaris der Vereeniging Het Spinozahuis: benevens een levensbericht omtrent Dr. W. Meijer en eene lijst van diens geschriften. Reeks Bibliotheca Spinozana, I, Amsterdam, 1922.
  • Verslag omtrent de lotgevallen der Vereeniging Het Spinozahuis, ‘s-Gravenhage, jaargangen 1921/1922 en 1928-1937.
Noten

[1] Bron: Spinozahuisje_Rijnsburg
[2] Het laatste couplet van de Maysche Morgenstondt van Dirck R. Camphuysen:

Ach, waren alle Menschen wijs,
En wilden daarbij wel!
De Aard waar haar een Paradijs,
Nu isse meest een Hel.

[3] Bron: Spinoza’s kamer in het Spinozahuis_Rijnsburg
[4] Spinozana (1922) XX.
[5] Opera / Spinoza; heruitgegeven door Carl Gebhardt, 5 delen, Heidelberg, 1925-[1938].
[6] Bron: haags-spinozahuis-pas-in-2015-weer-toegankelijk
[7] Hirsch (1932) p. 63, 64.
[8] Hirsch (1932) p. 63.
[9] Hirsch (1932) p. 64.
[10] Hirsch (1932) p. 64. Ook Sassen (1933: 61) vermeldt dat Dunin Borwoski aan de hand van de Korte verhandeling en de Tractatus de intellectus emendatione heeft willen laten zien dat Spinoza getracht heeft in de Ethica zijn eigen beleving van een “transrationele mystieke visie” more geometrico in rationele begrippen te brengen.
[11] Sassen (1933) p. 59.
[12] Suchtelen (1984b) p. 40-42.
[13] Bron: JD Bierens de Haan
[14] Op een proefschrift over ‘De Beteekenis van Shaftesbury in de Engelse Ethiek’ (1891).
[15] Van der Bend (1968) p. 4.
[16] Uren met Spinoza (1917) p. 2.
[17] Bron: uren-met-spinoza.
[18] Uren met Spinoza (1917) p. 24, 25.
[19] Uren met Spinoza (1917) p. 25.
[20] Bierens de Haan (1914a) p. 2, 3.
[21] Bierens de Haan (1914a) p. 3.
[22] Bierens de Haan (1914a) p. 5.
[23] Bierens de Haan (1914a) p. 3.
[24] spinoza-literatuur-van-dr-willem-meijer
[25] Toen Bierens de Haan in 1932 met Spinoza, de mysticus zijn interpretatie verder toespitste op de mystiek, en daarin Meijers kritiek verwerkte, was Meijer al jaren dood.
[26] Meijer (1914a) p. 184, 185.
[27] Meijer (1914a) p. 184.
[28] Meijer (1914a).
[29] Meijer (1914a) p. 185.
[30] Bierens de Haan (1914b) p. 190.
[31] Spinozana (1914) jaarverslag p. 72-74.
[32] Thissen (2000) p. 201.
[33] Van der Tak (1984) p. 35.
[34] In het levensbericht ter gelegenheid van Meijers tachtigste verjaardag onthult Van der Tak de ommekeer: “Dr. Meijer, de strenge rationalist, heeft op zulk een mystieke ondergrond van Spinoza’s leer weinig acht geslagen. In den laatsten tijd echter zich meer overgevende aan de contemplatie, is hij langzamerhand aan dit mystische inzicht meer waarde gaan hechten. Bepaaldelijk kwam hij hiertoe door de overpeinzing van het door Ibn Tofail geschreven leven van Hay Ibn Jokhdan, omtrent welk werk hij destijds had ontdekt dat Spinoza het gekend en op prijs gesteld had […]. In Hay Ibn Jokhdan zou Spinoza zichzelf herkend hebben als den man, die zonder uitwendige hulp of aanwijzing tot een juist inzicht in God en wereld gekomen was. Zoodanig inzicht nu acht Dr. Meijer thans zonder mystieken grondslag niet mogelijk.” Spinozana (1922) XXV.

Annelie van Steenbergen

Annelie van Steenbergen studeerde Wijsbegeerte aan de UvA met als specialisatie Esthetica en cultuurfilosofie en met een minor in de Cultuur- en Godsdienstpsychologie. Als keuzevak volgde ze o.a. Niet-Westerse en vergelijkende Wijsbegeerte bij dr. Karel L. van der Leeuw. Haar eindscriptie behandelde de 20e-eeuwse debatten over mystiek en rationaliteit bij Spinoza.