Lijden, angst en eenzaamheid als ingang tot bevrijding — 2

0

Ton Lathouwers

Bron: Lezing uit de syllabus Spiritualiteit in het dagelijks leven (1995)[1]

Deel 1deel 2deel 3 

Het thema van het lijden

Het eerste thema, ze hebben trouwens heel veel met elkaar te maken, is het thema van het lijden. Dostojevski ziet, dat hij voor een muur staat. Hij ziet dat vooral als hij het lijden tot zich laat doordringen. En zijn hoofdfiguur in zijn roman ‘De gebroeders Karamazov’ Iwan praat daar over. Dat is Dostojevski zelf, dat weten wij uit de carnets, uit de dagboeken.

Waarom zwijgt de hemel?

Hij had een kaartsysteem van verschrikkelijke gevallen, die hij kende van kindermisbruik, kindermarteling. Wij weten allemaal dat dat gebeurt. En Dostojevski kon dat niet verwerken. Waarom kan dat in het leven plaats vinden. En dat laat hij Iwan uitdrukken in een van de meest pijnlijke hoofdstukken van het boek, dat heet ‘De dialectiek van het kindertraantje’. Dat zijn concrete, echt gebeurde feiten, die hij aanhaalt en waar Iwan dan over praat. Die twee gevallen, dat zijn gevallen…

Het meisje van acht

Het eerste geval is van een kindje, dat door de eigen ouders — het is acht jaar oud, het meisje — opgesloten wordt, elke dag geranseld en tenslotte sterft. En het enige, wat de buren horen, is dat het kind ‘s nachts op de deur van de kelder bonst en schreeuwt om Onze Lieve Heertje en gilt. En Onze Lieve Heertje doet niets. En Iwan, Dostojevski, kan daar niet bij. Waarom zwijgt de hemel.

Het is dezelfde vraag van Elie Wiesel, die in Auschwitz met die vraag zat. Waarom zwijgt de hemel? Auschwitz verbindt dat met de noodzaak, dat wij dan maar schreeuwen en roepen. Dat wij “nee” roepen. Dat boek, waarin dat staat, heet ‘Against Silence’. Maar Elie Wiesel (1928-2016, Joods-Amerikaans schrijver, die de Holocaust overleefde) zit met die vraag. Waarom zwijgt de hemel? En Dostojevski zit met de vraag. Waarom zwijgt de hemel, terwijl dit gebeurt?

Het jongetje van zes

Een ander geval is dat van een kindje, dat wat brood gestolen heeft — een jongetje van zes jaar — dat wordt door honden verslonden op bevel van de landheer, terwijl de moeder moet toekijken. Het is gebeurd.

Iwan

En Dostojevski, Iwan, zegt dan:

“Voor mij hoeft het leven niet meer, als dit gebeurt. Ik kan dan keurig aan de goede kant van de lijn staan. Ik heb een appartement in Petersburg, ik ben schrijver, ik ben een gevierd auteur, ik kan leven, maar ik zie hoe deze dingen om me heen gebeuren. En ik kan dat niet aan.”

Dat laat hij Iwan zeggen. Dat is een zeer dramatische getuigenis. Iwan vertelt dat aan zijn broer, opnieuw aan die broer. Ik zal daar een paar stukjes van voorlezen.

“Begrijp jij Aljosja, wat het zeggen wil, dat zo’n klein wezentje, dat nog niet eens beseft wat er gebeurt in dat walgelijke hok, in het donker, met zijn vuistjes op zijn borstje slaat, bloedige tranen schreit en gilt om Onze Lieve Heertje en vraagt om hulp van de Hemel en dat er niets gebeurt. Kun jij zo’n absurditeit begrijpen. Begrijp jij waarom dat in de schepping moet gebeuren.”

Men zegt, dat wij dat voor lief moeten nemen. Anders zou goed en kwaad niet kunnen bestaan. En zouden wij het goed en kwaad niet leren kennen. Maar verdomd, waarom moet ik dat zo leren kennen, als dat zoveel kost. Doodgemartelde kinderen als een prijskaartje.

Want, sorry, want alles wat de wereld aan kennis opbrengt, weegt voor mij niet op tegen de wanhopige tranen van kindertjes, die dood gemarteld worden en schreeuwen om Onze Lieve Heertje. Aljosja, ik begrijp niets, besef dat. En ik kan niets begrijpen en ik wil niets begrijpen. Ik wil bij de feiten blijven.”

Geen verklaringen, maar feiten

Dat is het grootte van Dostojevski: Ik blijf bij de feiten. Ik zie wat er gebeurt. Ik kan niet uit de weg met verklaringen, net als Elie Wiesel. Verklaringen die maken de boel dood.

“Dan moet in mijn ogen sluiten. Ik wil bij de feiten blijven. Ik heb lang geleden het besluit genomen, niet meer te proberen de dingen te begrijpen. Helemaal niet het zinloze lijden van kinderen. Als ik wil begrijpen, pleeg ik verraad aan de feiten.

Ik kom er niet uit. Ik wil best geloven, zelfs in God, maar dan duikt de vraag op: Hoe moet dat met die kinderen? Ik kan dat niet oplossen. Als iedereen moet lijden om de eeuwige harmonie te verdienen dan vraag ik: Waarom geldt dat ook voor onschuldige kinderen?

Dit is geen Godslastering, Aljosja. Ik begrijp, zoals jij dat zo mooi leert, wat een schok er door het heelal gaat als aan het einde der tijden in het nieuwe Jeruzalem alle stemmen samen komen in een lofprijzing.

wegen zijn geopenbaard. Ik zie het al voor mij, Aljosja, dat de moeder de beul van haar kind omhelst, die haar zoontje door een meute opgehitste honden heeft laten verscheuren. En ik zie het voor mij, hoe zij alle drie met tranen in hun ogen uitroepen:

Gij hebt gelijk gehad, God!”

Dat is natuurlijk het suprême moment van kennis.

“Maar weet wat de moeilijkheid is? Ik kan het niet accepteren. Dus zie ik liever af van heel die hogere harmonie. Die is voor mij nog niet het traantje, nog niet van een dood gemarteld kind waard. Hoe moet dat dan. Moeten ze gewroken worden? Waarmee? Met een eeuwige hel? De schuldigen naar een eeuwig hel? Wat maal ik om een eeuwige hel? En wat maal ik om een paradijs, als er toch nog een hel moet zijn? Als het lijden doorgaat?

Want het lijden moet ophouden voor iedereen. Ook voor de beul. Aljosja, ik kom er dus niet uit. Er kan niets veranderd geworden aan het feit, dat die kinderen doodgemarteld zijn. Ik wil vergeven en vergeten en iedereen in mijn armen sluiten. Ik wil niet dat het lijden doorgaat. Ook niet met een hardere straf.

Maar ik zeg je nogmaals: Als het doodmartelen van kinderen de aanvulling vormt op het totaal van leed, die nodig is om de waarheid te bereiken, dan pas ik ervoor. De moeder mag de beul niet omhelzen, die haar zoontje heeft laten verscheuren door honden. Ze moet het niet wagen de beul te vergeven.

O ja, als ze wil mag ze aan de beul het mateloze lijden vergeven, dat hij heeft aangedaan aan haar moederhart. Maar ze heeft niet het recht over het lijden van haar eigen doodgemartelde kind heen te stappen. Ze mag de beul niet vergeven. Zelfs als het kind het zelf wel doet. Zij heeft niet het recht.

De eeuwige harmonie is te duur.

wel het recht heeft? Ik wil die harmonie niet. Ik weiger. Ik doe het uit liefde voor de mensheid. Die eeuwige harmonie aan het einde der tijden, sorry, die is mij te duur.

Dat entreegeld van doodgemartelde kinderen, dat kan mijn portemonnee niet betalen. En daarom haast ik mij het toegangskaartje van het leven maar snel aan God terug te geven. Ik speel niet meer mee. Als fatsoenlijk mens ben ik verplicht zo snel mogelijk te doen. Dat doe ik bij deze. Ik geef God mijn kaartje bij deze in beleefde dank terug.”

Onmogelijke vragen

Fjodor Dostojevski[2]

Daarmee uit Dostojevski zijn diepst onmogelijke vraag, waarvan Leo Sjestov ooit gezegd heeft, dat het meest religieuze bij een Tolstoj, ook bij een Dostojevski, ook bij een Kierkegaard is: Het stellen van onmogelijke vragen, waarop wij menselijkerwijs geen antwoord weten. Het enige wat Dostojevski kan zeggen is een kleine verwijzing naar Job.

Zwijgen of vloeken

Dat de meest wanhopige tranen uiteindelijk toch kunnen verkeren in tranen van diepe ontroering. Dan zegt hij:

“Maar, het is het grootste mysterie en daar moeten wij over zwijgen.”

 Het wonderlijke is dat Kierkegaard, net als Dostojevski op die impasse, op de meest wanhopige momenten, ook wijst naar Job. Misschien kent U het verhaal. Als Job zijn ellende over zich heen krijgt, dan roept hij in het begin:

“De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, geprezen zij zijn Naam”.

Maar als de ontreddering groter wordt en het lijden dieper, dan kan Job dat niet meer zeggen. Dan vloekt Job en schreeuwt en is hij opstandig. En dan zegt Kierkegaard:

“Goed zo Job, schreeuw maar. Gil maar. Huil maar, wees maar opstandig. Vloek maar!”

Luther

Maarten Luther – Lucas Cranach de Oude (1528)[3]

Luther heeft daar iets prachtigs over gezegd, wat helemaal van toepassing zou kunnen zijn op dit verhaal van Dostojevski. Deze heilige opstand tegen alles waarmede wij het lijden stuk willen praten en het zogenaamd zin willen geven.

Luther zegt ergens, dat de verschrikkelijkste vloeken en godslasteringen aan de hemel waarschijnlijker welgevalliger zijn, dan de schoonste halleluja’s omdat ze uit het hart komen. Deze noodkreet van Dostojevski is de noodkreet van Job. Dat is het roepen, omdat Dostojevski nooit onder woorden kan brengen wat hij inderdaad in zijn diepste momenten ervaart: Dat onmogelijke mogelijk is. Maar zijn verstand zegt: hier bots ik op een muur. Hier kom ik nooit meer uit.

‘De gebroeders Karamazov’

Dostojevski pakt dat verhaal opnieuw op, het probleem van het lijden, in een ander hoofdstuk van ‘De gebroeders Karamazov’ en al zou U dat werk niet willen lezen, ik hoop dat U deze twee hoofdstukken leest. Het ene is ‘De dialectiek van het kindertraantje’ en er is een groter hoofdstuk en dat heet ‘De opstand’ of ‘Biecht van een brandend hart’. Dat zegt al veel.

Het tweede stuk heet ‘De legende van de grootinquisiteur’. Dat is een verhaal, dat vertelt hoe in de vijftiende eeuw, tijdens de inquisities in Spanje, waarbij bijna dagelijks honderden mensen door de inquisitie werden terechtgesteld, Christus opnieuw op aarde komt.

Een grenzeloos mededogen

Wij zouden zeggen onherkenbaar: blue jeans, T-shirt, zwijgend met een grenzeloos mededogen. Met een grenzeloos mededogen, maar zwijgend. Zonder boodschap. Zonder woorden.

De brandstapel

Die Christus wordt gevangen genomen. Want het is een sta-in-de-weg voor de kerk. De grootinquisiteur, de aartsbisschop kardinaal van Sevilla laat Christus gevangen nemen, ter dood veroordelen en op de brandstapel terechtstellen. In de nacht voor de executie gaat die negentigjarige grijsaard praten met Christus. En dat is ook een schreeuw. Dat is een schokkend verhaal. Dat is een verwijt aan Christus, maar eigenlijk is het een verwijt aan zichzelf, of nog meer, het is een paradox.

De grootinquisiteur zegt tegen Christus:

“Wat ben jij hier komen doen op aarde? Jij hebt ons de sleutels van de hemel gegeven. Blijf dus weg, Laat ons het verder doen. Rijdt ons niet in de wielen. Wat kom je nu opnieuw terug. Jouw boodschap is gedaan! Vijftienhonderd jaar geleden. Bovendien heb je het fout gedaan en jij weet waarin. Jij hebt de mens opgezadeld met een vrijheid die hij niet aan kan.”

En voor Dostojevski is dat meer dan de keuze tussen goed en kwaad. Die diepste vrijheid is, ook in dit verhaal, dat het onmogelijke mogelijk is, en die sprong van het geloof daarin.

Die vrijheid kan de mens niet aan

Maar de grootinquisiteur zegt daar iets bij, wat bij Dostojevski steeds terugkeert en ook bij Kierkegaard en ook bij Nietzsche: Dat kan de mens niet aan. De mens kan die sprong niet maken.

“Juist Jij had dat moeten weten, Jij die vol mededogen bent voor de mensen had moeten weten, dat als de mens iets niet aankan, de vrijheid niet aankan. De mens wil zekerheden. Twee keer twee is vier. Muren om zich heen die veilig zijn. Een boekje waarin alles instaat. Een autoriteit. Dat hebben wij hem gegeven. Jij niet. Jij hebt het afgewezen. ‘Weet je nog in de woestijn de drie bekoringen?’ dat zegt die oude grootinquisiteur. Jij zat in de woestijn en de grote geest van de woestijn bekoorde Jou.”

Hij zei:

“Verander die stenen maar in brood en ze zullen achter Je aan drommen als een meute. Maar Je hebt het geweigerd. Je wilde niet, dat de mensen in de ban waren van Je mirakelen, van Je hocuspocus. Jij wilde, dat de mensen in vrijheid tot Jou kwamen. Dat kunnen mensen niet aan.”

Als de mens iets niet aankan dan is hij, en zo staat het er letterlijk,

“dat hij tegenover de meest fundamentele en wanhopige vragen van het leven grenzeloos alleen is met de stem van zijn eigen hart en niet terug kan vallen. Niet op een autoriteit. Niet op een grootinquisiteur. Niet op een boek waar het in staat. Niet op een biechtvader.

Wat ga Jij doen? Al zegt de hele wereld iets anders, Wat ga Jij doen? Daar heb Jij de mensen mee opgezadeld. Jij hebt de kans gehad. Had Je van de tinnen van de tempel afgeworpen. Je had het applaus gekregen van heel de mensheid, want de engelen hadden Je opgevangen.

Iedereen had gezien: ja, Hij heeft macht. Maar Jij wilde geen macht. Jij wilde opnieuw de vrijheid, de ontmoeting van hart tot hart, zonder bewijzen zonder argumenten zonder dwang. Naakte onbevangen ontmoeting.

Maar dat kan de mens niet aan. En tenslotte de laatste bekoring: “Dit alles zal ik Jou geven als Je mij aanbidt”. Jij had moeten weten, dat als aan de mens iets eigen is, dan is het verlangen te behoren tot een club, tot een groep, tot een mierenhoop, tot een partij. Wij hebben dat begrepen, als Kerk.”

Maar Dostojevski heeft de negatieve kant van de kerk op het oog.

“Maar wij hebben Jouw werk voortgezet. Wij hebben de macht van de sleutel, de macht overgenomen. Wij zijn tegen Jou, wij ontkennen Jou. Wij zijn antichrist.”

Op dat moment wordt de grootinquisiteur zeer beschuldigend naar Christus.

“Ik weet dat er geschreven, dat Jij aan het einde der tijden terug zal komen. Dan zal Je daar staan met Je tien twaalf mensen, die Jij hebt kunnen redden. Dat bekende Joodse verhaal van de twaalf of zestien rechtvaardigen. Dan zal Je daar staan. Die paar mensen, die zich opgevijzeld hebben tot dat niveau.

En dan zal ik daar staan voor Jou. En dan zal ik wijzen op de miljoenen, op de miljarden mensen, die dat niet konden opbrengen. Die klein bleven. Die blijkbaar maar gemaakt zijn door de geschiedenis, om er overheen gewalst te worden als een soort spot. En dan zal ik zeggen kom maar op en veroordeel mij, als Je het lef hebt.

Weet, ik ben niet met Jou. Ik sta tegenover Jou. Ik ben de antichrist. Wij hebben de macht. Wij maken er een bolwerk van. Wij geven de mensen zekerheden en richtlijnen. En dan zwijgt ie. En Christus zwijgt.

Zie Je niet dat Je totaal aan mij overgeleverd bent. Morgen kom Jij op de brandstapel. Natuurlijk kom Je op het einde terug. Ik ben niet bang. Stuur me maar de eeuwige verdoemenis in. Ik haat Je. Maar waarom zeg je niets. En het enige wat Christus doet. Hij kijkt hem aan en hoe. Niet vernietigend. Onbevangen.”

En dat is de meest indrukwekkende passage van Dostojevski:

“Christus stapt toe op de antichrist en omhelst hem en kust hem, zoals Russen dat doen op de mond. Hij kijkt hem aan, van aangezicht tot aangezicht, van hart tot hart, van hart tot hart. De grootinquisiteur is ontzet.

Die opent de deuren en zegt: ‘Ga en verdwijn. Ik laat Je vrij maar kom nooit meer terug en weet ik blijf bij mijn overtuiging’.”

Dat is het einde van het verhaal.

De antichrist

Het is een heel merkwaardig einde. Het verhaal heeft trouwens een heel vreemde inleiding. Deze grootinquisiteur die zegt: ik ben de antichrist. Daar wordt van gezegd, dat hij twintig jaar alleen in de woestijn leefde, dat hij leefde van sprinkhanen. Dat hij zich gekastijd heeft.

Rechtvaardigen en mislukkelingen

Dat hij zich bevrijd heeft. Dat hij een van de zestien rechtvaardigen geworden is. En dat hij dan om zich heen kijkt en ziet: Zijn wij maar met zestien? En de rest van de mensheid aan wie het niet lukt? Moet ik die aftrappen? Moet ik die minachten? Zijn die gemaakt als een grapje van de geschiedenis? Nee, dan keer ik mij tegen die zestien rechtvaardigen en dan kies ik voor de mislukkelingen, voor de zondaars, voor de angstigen.

Dat is de grootheid van de grootinquisiteur. Dat is waardoor hij toch een kus krijgt van Christus. Zelfs de antichrist wordt gered. Zoals Dostojevski in dezelfde roman zegt: zelfs de duivel wordt gered. Want de duivel, verschijnt aan Iwan en vertelt dat hij aan het einde der tijden, na miljoenen jaren ook zijn halleluja zingen zal.

Moeder Gods vertrek

Grafmonument van Dostojevski in Sint-Petersburg[4]

Ik rond het af met een klein verhaal, dat elke Rus kent. Elke primitieve Rus, die Dostojevski niet kan lezen. Dat is het verhaal van de Moeder Gods, die afdaalt naar de hel. Dat verhaal dat luidt, dat aan het einde der tijden als iedereen happy is, engelen, aartsengelen, belijders, maagden, dat dan de Moeder Gods zit te huilen. Die zegt:

“Ik slik het niet. Er zijn nog mensen in verdoemenis.
En iedereen zegt, ja dat hebben ze dan verdiend. Ze hebben jouw Zoon gekruisigd.
Dan zegt zij: Nou je kunt me nog meer vertellen. Ik weiger dit te aanvaarden. En dan zeggen ze: Dan moet U maar vertrekken!
Dan zegt de Moeder Gods: Ja, dan vertrek ik. Ze daalt af naar de hel. Maar dan krijgt ze toch haar zin. Iedereen wordt gered.”

Dostojevski overtuiging

Dat is Dostojevski op zijn grootste momenten. Die diepste overtuiging tegen alles in, dat iedereen gered wordt. En wat gelijk is, de boodschap die het meest geraakt heeft in het Verre Oosten in het Mahayana Boeddhisme. Het is het eerste wat ik vijfentwintig jaar geleden hoorde toen ik daar aankwam. Iedereen moet gered worden. Iedereen zal gered worden. Het is het laatste wat Dostojevski zegt. Het is ook dat waar ik nu mee wil eindigen.

Noten

[1] Deze van geluidsopname uitgewerkte syllabus is door WW redacteur Gea Smit enigszins geredigeerd.
[2] Bron: Fjodor Dostojevski
[3] Bron: Maarten Luther door Lucas Cranach de Oude (1528)
[4] Bron: Grafmonument Dostojevski

Ton Lathouwers

studeerde wis- en natuurkunde, en Slavische talen en letterkunde. Hierna volgde hij gedurende vier jaar een studie vergelijkende cultuur- en godsdienstwetenschappen over de ontmoeting tussen Oost en West. In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.