De denkfout van de vrije wil

0

Een hedendaags onderzoek naar Spinoza’s mening over de vrije wil

Rikus Koops

Lezing, in samenwerking met Filosofisch café Zutphen [1],[2], 21 mei 2017 te Zutphen, bron: overspinoza.nl

Inleiding

Ethica[3]

Sinds de zestiende eeuw is onze wereld steeds meer onttoverd door de voortschrijdende inzichten van de wetenschap. We hebben om de wereld om ons heen te verklaren steeds minder wonderen en ingrepen van God nodig. De astronomie heeft ons onze centrale plek in het universum ontnomen, de aarde is niet het centrum, evenmin als de zon.
De natuurkunde heeft geen God nodig om het cirkelen van de planeten of de bliksem te verklaren. De evolutie geeft een verklaring van het ontstaan van ons zonnestelsel, de geologie en al het leven op onze aarde.

Deze onttovering van onze blik op de wereld om ons heen is naar mijn mening een goede zaak, we zien de wereld niet door een waas van fantasie en opgesmukte onkunde maar we proberen haar te zien en te verklaren zoals ze is. Velen zien hierin een triomf van de rede over het geloof en menen dat daar waar de victorie nog niet volledig is, het strijdtoneel zich ook daar bevindt, namelijk met het geloof. De wetenschappelijke rationele mens veronderstelt dat het geloof de belangrijkste denkfout is die ons afhoudt van een heldere blik op de werkelijkheid.

Het Boeddhisme, dat ik sinds kort bestudeer, kent een centrale rol toe aan het misverstand dat we een vast ik, een zelf ofwel een onafhankelijke kern zouden bezitten. Deze denkfout veroorzaakt volgens de Boeddhisten de gehechtheid aan de wereld en is daarmee de oorzaak van ons lijden.

Met deze kennis ging ik opnieuw en op een andere wijze naar de filosofie van Spinoza kijken. Ten eerste omdat deze filosofie een vroeg voorbeeld is van een wetenschappelijke rationele visie op de wereld en ten tweede omdat ik overeenkomsten meen te zien met het Boeddhisme. De vraag die ik mij niet eerder had gesteld begon mij daarbij te interesseren, namelijk of volgens Spinoza een cruciale denkfout is aan te wijzen die de kernoorzaak van onze dwalingen is en zo ja, of dit dan het religieuze geloof is, het geloof in een eigen ik of geheel iets anders.

Spinoza staat bekend om zijn kritiek op het geloof en hieruit zouden we gemakkelijk kunnen concluderen dat ook bij Spinoza het geloof in God een kernprobleem is. Bij bestudering van zijn teksten blijkt dit echter geenszins het geval. Spinoza is kritisch over het geloof maar hij is er niet negatief over. Hij ziet het geloof als een mogelijke alternatieve route om hetzelfde te bereiken als met zijn eigen filosofie, maar dan wel voor mensen voor wie dit laatste te hoog gegrepen is. Een fatsoenlijk geloof zonder machtsmisbruik is in zijn ogen prima.

Belangrijker is echter dat volgens Spinoza het geloof in God niet de ultieme denkfout is, maar dat er een fundamentelere denkfout aan ten grondslag ligt. Het geloof in God is een gevolg van een andere denkfout, een denkfout die niet verdwijnt als we ons geloof opzeggen. Deze denkfout is het geloof in een vrije wil en in het doelmatig handelen van de natuur. In lijn met Spinoza ben ik van mening dat de strijd tegen een betoverde blik op onze wereld geen strijd tegen de religie is maar tegen deze dieper liggende denkfout, een denkfout die ook rationeel wetenschappelijk ingestelde mensen nog vaak maken, een denkfout die zich grotendeels onttrekt aan het zicht vanwege de discussie over het geloof.

Ik zal niet ontkennen dat er een levendig debat is over het wel of niet vrij zijn van de wil, maar dit debat legt over het algemeen niet de relatie met een eruit volgende visie op de wereld. Het is een academisch debat waarbij de gevolgen van het geloof of ongeloof in de vrije wil oppervlakkig blijven. Als er al aandacht is voor de gevolgen, dan richt deze zich op het vlak van strafrecht en verantwoordelijkheid maar niet op de meer subtiele gevolgen van dit geloof op onze wereldoriëntatie.

Ik zal in deze lezing proberen deze gevolgen duidelijk te maken en ik zal uitleggen waarom ik van mening ben dat het geloof in de vrije wil een fundamentele denkfout is waaruit andere ideeën volgen die onze blik op de werkelijkheid versluieren. Ik sluit hierbij aan bij Spinoza.

Hierbij zal ik achtereenvolgens de volgende zaken bespreken. Ik begin met een korte argumentatie waarom ik en Spinoza van mening zijn dat de vrije wil de meest fundamentele denkfout is. Vervolgens zal ik kort een aantal argumenten noemen waarom ik van mening ben dat de vrije wil niet bestaat en ik zal afsluiten met een aantal positieve gevolgen van het niet geloven in een vrije wil.

De fundamentele denkfout van de vrijheid van de wil

Wij als mens staan onszelf in de weg bij het kennen van de wereld. We bekijken de wereld als object met onszelf als subject. We trekken een lijn tussen ons en de wereld om ons heen en elke aanval op onze centrale positie in het heelal doet pijn.

De eerste aanval kwam van de astronomen die ons vertelden dat niet de zon om de aarde draaide maar de zon het centrum was. Daarna bleek onze zon en ons zonnestelsel slechts een klein hoekje te bezetten in een immens melkwegstelsel en vervolgens is ons melkwegstelsel geen centrum van het universum.

Niet alleen de centrale ligging van onze woonplek moesten we opgeven, ook het idee van een God die dit universum voor ons heeft opgetuigd, werd steeds onhoudbaarder. Daarnaast viel de biologie de uniciteit van de mens aan en bleken we sterk verbonden met de dieren om ons heen. Onze wereld biedt nog weinig houvast voor een overtuiging van de bijzonderheid van ons als mens. Omdat de wereld dit houvast niet biedt, zoeken we het in ons zelf. Wat ons nog overblijft is een uniek vermogen om te handelen zoals wij willen.

Een vermogen dat we andere dieren ontzeggen, zij handelen slechts uit impulsen, uit daden die gericht zijn om een directe invulling van een behoeft. De mens heeft een uniek kenmerk en dat maakt ons anders dan al het andere in de natuur en trekt een grens tussen het ik en de wereld. Geen wonder dat een aanval op de vrije wil vaak even sterke reactie geeft dan een aanval op iemands religieuze overtuigingen. Beide zijn een houvast.

Spinoza probeert een nieuw houvast te bieden maar moet daarvoor eerst grote opruiming houden in de denkfouten die we koesteren. Hij richt zich in de Ethica op de mens die een religieus godsbeeld heeft. In een fantastisch mooie tekst aan het einde van het eerste deel doet hij uit de doeken waarom dit religieuze wereldbeeld niet juist is.
Hij doet dit door aan te tonen dat dit religieuze denken zijn oorzaak vindt in een andere denkfout, een denkfout die hij in het voorafgaande deel al besproken heeft. Spinoza valt dus eerst de door religieuze mensen minder ingrijpend geachte denkfout van de vrije wil aan om daarna aan te tonen dat deze denkfout de grondslag van hun religieuze overtuiging is.

Maar laten we eens kijken hoe het geloof volgens Spinoza een gevolg is van het idee van een vrije wil. Dit idee van een vrije wil is geen gegeven voor Spinoza maar het ontstaat uit het feit dat wij niet alle oorzaken van ons handelen kennen, gecombineerd met een constante drang om ons bestaan voort te zetten. Dit zijn geen denkfouten maar twee fundamentele eigenschappen van de mens. De drang of de motivatie om te bestaan doet ons doelmatig handelen. De onkunde van de oorzaken van ons handelen geeft ons het idee dat wij zelf kunnen beslissen over dit handelen. Deze laatste conclusie is pas de denkfout. In plaats van onze onkunde te erkennen, een gegeven gezien de beperkte omvang van onze hersenen, verzinnen we een gekende oorzaak van onze handelingen en noemen dit de vrije wil.

Zodoende zien wij ons als een individu dat doelmatig handelt. Dit doelmatig handelen projecteren we op de wereld om ons heen. We zien dat onze omgeving vaak voorziet in zaken die nuttig voor ons zijn en we weten dat we deze zaken niet zelf hebben voortgebracht. Dit doet ons denken dat er een wezen is, vergelijkbaar met ons zelf, dat de wereld doelmatig voor ons heeft ingericht. Het geloof in God is zodoende een gevolg van ons geloof in de vrije wil en onze menselijke opvatting van doelmatig handelen. Voor zover het geloof in de vrije wil dit al niet deed, laat het geloof in een God ons vervolgens denken dat wij bijzonder zijn. Wij zijn de kroon op de schepping, en de natuur is ons ter beschikking gesteld. We menen dat er een bedoeling schuilt achter ons leven en de wereld en daar waar deze bedoeling niet gehaald lijkt te worden, beschouwen we de wereld als imperfect.

We creëren een ideaalbeeld waar we ons, onze medemens en de wereld om ons heen naar beoordelen. We denken in goed en fout. We zien echter dat deze God die het goed met ons mensen voor zou moeten hebben soms toelaat dat het goede mensen slecht gaat en dat het slechte mensen goed gaat. Dit past niet bij de goede God die de wereld voor ons heeft gemaakt. We bedenken dat de wereld een test is voor een werkelijk bestaan na onze dood, in dit leven na de dood worden de ongelijkheden vereffend. Uit het geloof in de vrije wil ontstaat dus het religieuze denken en daaruit een scala aan andere denkbeelden. We kunnen deze keten stoppen door af te stappen van het religieuze idee van een God, maar dit is slechts een keten in de ketting van denkfouten, niet de oorzaak.

De gevolgen van het idee van de vrije wil zonder religieuze ideeën

Dat het idee van een vrije wil de belangrijkste denkfout is en niet het geloof in God blijkt uit het feit dat ook zonder het religieuze idee er uit het geloof in de vrije wil een hele reeks versluierende denkbeelden ontstaat. Zo plaatst het geloof in de vrije wil ons buiten de orde van de natuur. De natuur om ons heen wordt geregeerd door natuurwetten, door oorzaak en gevolg. We kunnen deze wetten ontdekken en merken door onderzoeken dat de wereld zich volgens deze wetmatigheden gedraagt. Binnen deze orde is echter niets vrij. Ons idee van een vrije wil plaatst ons buiten de natuurorde, de wetten van de natuur hebben geen vat op onze vrije wil. De vrij wil maakt ons onafhankelijk. Ze onttrekt zich immers aan de oorzaak-gevolg relaties en daarmee beschouwen we ons als gedeeltelijk los bestaand van de wereld.

De mens is bijzonder omdat hij fundamenteel andere vermogens heeft dan al het andere in de natuur. Bij al het andere in de natuur is er sprake van oorzaak en gevolg relaties, bij dieren is dit soms uitgesteld, maar altijd is hun handelen door omstandigheden gestuurd. Ook al zouden we sommige dieren het recht van een vrije wil toekennen, de vrije wil introduceert altijd een harde breuklijn ergens tussen dode materie en de mens. En aan deze kant van de grens is sprake van een bijzonder vermogen dat ons distantieert van de wereld. Het geloof in de vrije wil verondersteld verder een ik dat vrij handelt, een ziel, een zelf of een ego.

We zagen dit ik al in de inleiding toen ik kort over het Boeddhisme sprak. Dit zelf staat los van de wereld en veroorzaakt het idee van dualiteit tussen de geest en de stof. Hierdoor wordt het mogelijk om te denken, dat de geest zonder het lichaam kan bestaan, dat er een leven na dit leven en een wereld buiten deze wereld is. Niet alleen een geloof in een leven na dit leven veroorzaakt het idee van een potentiële wereld naast de werkelijke wereld maar ook het geloof in een zelf en in een vrije wil doet een wereld naast onze wereld ontstaan.
We hadden immers altijd anders en beter kunnen handelen. Uit vrije wil handelden we op een bepaalde manier terwijl we nu weten dat we iets anders hadden moeten doen. Er is een werkelijkheid van wat we doen en een werkelijkheid van wat we hadden moeten doen. We maken een ideaalbeeld van ons zelf, we hadden immers anders en beter kunnen handelen als we hadden gewild. We hadden anders, beter, kunnen zijn. Anderen kunnen we op dezelfde wijze slechter maken.

Een crimineel doet vanuit zijn vrije wil dingen die wij nooit zouden doen. We mogen hem dit terecht verwijten en hoeven niet naar de omstandigheden te zoeken die tot zijn gedrag hebben geleid. En gelukkig hoeven we ons ook niet te bedenken dat dergelijke omstandigheden ons ook tot dergelijk gedrag hadden kunnen aanzetten. Ook hier is een grens en ook hier staan wij aan de goede kant.

Het idee van de vrije wil leidt zelfs tot het instant houden van onkunde. Dat deze verdediging van onkunde een specifiek gevolg van religieus denken is, kunnen we eenvoudig begrijpen. Iedereen ziet immers dat de wereld niet altijd goed is voor goede mensen en religieuze mensen kunnen dit alleen wijten aan Gods ondoorgrondelijke wegen.

Het idee van een volledig kenbare God is bovendien op zichzelf voor gelovigen al blasfemisch. Deze fundamentele onkunde is zodoende onderdeel van het religieuze denken maar ook de vrije wil leidt tot een verdediging van onkunde.
De vrije wil doet ons, zoals ik eerder zei, oordelen over goed, slecht, beter en minder. We weten dat anderen ook een vrije wil hebben en we weten dat anderen andere oordelen vellen. Bij gebrek aan een absoluut gezag moeten we daarmee veronderstellen dat ieder een eigen waarheid heeft en mag hebben. De waarheid, werkelijke kennis van de wereld, verschuilt zich achter persoonlijke meningen en oordelen. We kunnen ons nooit beroepen op absolute kennis en daarmee leidt ook een geloof in de vrije wil naar een fundamentele vorm van onkunde.

Hiermee heb ik naar ik hoop mij in voldoende mate van het eerste deel van mijn lezing gekweten. Ik heb aangeven waarom ik met Spinoza van mening ben dat de vrije wil aan de oorsprong ligt van een serie samenhangende versluierende ideeën. Dat ook zonder een religieuze overtuiging dit geloof in een vrije wil tot deze versluiering leidt en dat als we helder en rationeel naar de wereld willen kijken, we dit geloof moeten zien kwijt te raken.

Tevens heb ik hiermee aangegeven waarom wij niet van nature genegen zullen zijn om dit idee snel op te geven. Nu kan deze neiging natuurlijk terecht zijn. Mogelijk is een wereld met een geloof in de vrije wil beter dan een wereld zonder geloof in de vrije wil. Ik kan mij dit niet voorstellen maar dat komt door mijn rotsvaste overtuiging dat een heldere kijk op de werkelijkheid altijd te prevaleren is boven een prettige leugen. Alleen al omdat ze standvastig is.
In het vervolg zal ik verder gaan en kort bespreken dat het idee van de vrije wil een aantal problematische gevolgen heeft die het mijns inziens onaannemelijk maken dat dit idee correct is. Het bestek van deze lezing is te kort om hierin volledig te zijn dus een korte inleiding moet volstaan. Ik wil namelijk ook nog tijd hebben voor het laatste deel waarin ik aan wil geven welke voordelen verbonden zijn aan het ontkennen van de vrije wil.

Het niet bestaan van de vrije wil

Als een sluitend bewijs van het niet bestaan van de vrije wil al mogelijk is, dan is het tijdsbestek van deze lezing in ieder geval te kort om dit bewijs te geven. Ik zal mij daarom beperking tot het bespreken van de strijdigheden en inconsequenties die mijns inziens volgen uit een weldoordacht idee van de vrije wil. Hiermee is nog niet bewezen dat de vrije wil niet bestaat maar de vanzelfsprekendheid dat ze wel bestaat, hoop ik daarmee in elk geval weg te nemen. Eerlijk gezegd ben ik van mening dat zij die in de vrije wil geloven dienen te bewijzen dat ze bestaat en dat het ontbreken van een dergelijk bewijs reeds voldoende is om aan te nemen dat ze niet bestaat. Net als bij het geloof in het bestaan van God, ligt in mijn optiek bij de vrije wil de bal bij hen die er in geloven.

Om zinvol over de strijdigheden in het idee van de vrije wil te kunnen spreken moet ik beginnen met een heldere omschrijving van de vrije wil. Ik gebruik hiervoor de volgende definitie:

de vrije wil is het vermogen dat we hebben om vrij te beslissen wat we doen en waarom we dat doen.

Met deze omschrijving is reeds duidelijk dat het bewijs waarop velen hun geloof in de vrije wil baseren niet correct is.
Het meest aangevoerde bewijs is een ervaringsbewijs: ik kan doen wat ik wil en daarom heb ik een vrije wil. De definitie van de vrije wil is echter niet dat we kunnen doen wat we willen. Dat we dit kunnen ontken ik helemaal niet, dit is een ervaringsfeit dat ik ook ken en erken. Als ik op een kruising sta kan ik de weg ingaan die ik wil. De vraag is echter niet of ik kan doen wat ik wil maar of ik kan willen wat ik wil. Op een kruising kan ik links- of rechtsaf gaan, wat ik maar wil, maar kan ik ook in vrijheid willen of ik links of rechts wil gaan?

Hier treedt een eerste strijdigheid op. Als ik in vrijheid kan willen wat ik wil, kan ik dan ook in vrijheid willen wat ik wil dat ik wil? En zo ja, waar houdt het kunnen willen wat ik wil op? Als het ergens ophoudt en er op een zeker punt in deze reeks geen vrijheid in willen meer is, dan verliest de hele reeks zijn vrijheid. Om niet in een eindeloze reeks te belanden zonder ooit het begin van ons willen, laat staan de vrijheid daarin te vinden moeten we ergens stoppen. We moeten ergens aannemen dat de reeks begint met een bron van vrije keuzes die zelf geen voorganger meer heeft. Deze bron kunnen we overal in de reeks veronderstellen maar het meest logisch is om dit aan het begin te doen.

Maar wat betekent dit als ik zeg dat dit begin van mijn vrije keuzes mijn vrije wil is? Dit moet betekenen dat deze wil, deze bron van vrije keuzes geen input heeft. Mijn wil is niet gedwongen of gedetermineerd door voorafgaande oorzaken.

Een oorzaakloze vrije wil

Een vrije wil is een generator van keuzes die geen oorzaken kan hebben. De vrije wil moet oorzaakloos zijn, onafhankelijk van iets buiten de vrije wil.

Een oorzaakloze vrije wil geeft echter een probleem. Als ik namelijk nauwkeurig ga onderzoeken waaraan een vrije wil moet voldoen, dan kom ik op een aantal eisen.

  1. Ten eerste moet er sprake zijn van alternatieve opties. Dit wil zeggen dat de wereld waarin de vrije wil optreedt de mogelijkheid moet openlaten voor meerdere alternatieven. De orde en wetmatigheden die ons universum bepalen, wat deze ook zijn, moeten de mogelijkheid bieden dat ik links of rechts ga.
  2. Naast deze eis van alternatieve opties moet er sprake zijn van wat ik broncontrole Ergens moeten de vrije keuze uit voortkomen, de bron, en ik moet controle hebben over deze bron. Als deze bron keuzes voortbrengt zonder dat ik daar de hand in heb, dan noem ik dit niet mijn vrije wil.
  3. Ten derde moet er dus sprake zijn van een ik, een vorm van mijn persoon die beslist. Een beslisser achter de beslissingen.

De oorzaakloosheid van de vrije wil is strijdig met de tweede eis die ik hier aan de vrije wil heb verbonden. Hoe kan er sprake zijn van broncontrole als de bron zonder oorzakelijkheid keuzes voortbrengt? Zodra ik controle zou hebben over de bron, dan zouden de keuzes uit deze bron een oorzaak hebben, namelijk het ik dat die controle heeft.
Broncontrole eist zodoende een oorzaak van de keuzes, namelijk een ik die deze keuzes maakt.

Wat heeft een oorzaakloze vrije wil met mij te maken als ik geen broncontrole heb?
Ze is niet afhankelijk van mij als persoon, karakter, niet afhankelijk van mijn meningen en oordelen omdat dit oorzaken zouden zijn voor de beslissingen. Een vrije wil is zodoende als een vreemd wezen in mij dat mijn persoon beslissingen aanreikt waar ik niets van heb te vinden. Ik noem de wil alleen maar vrij omdat dit wezen toevallig in mij huist maar niet omdat het van mij is. Ik ben eerder van dit wezen.

De vrije wil is in dit geval geen vrij vermogen wat wij hebben maar het is een vermogen dat ons bestuurt. De vrije wil kan niet bestaan zonder broncontrole, maar broncontrole kan ik mij niet voorstellen zonder oorzakelijkheid en oorzakelijkheid is strijdig met de vrijheid van de wil. Hier komt nog bij dat het voor mij onmogelijk is om mij iets voort te stellen dat geen oorzaken heeft. Wij zijn gewend om overal een oorzaak voor te zoeken.

De vrije wil is strijdig met ons basale idee dat iets niet uit niets voort kan komen. Als ik zou vragen waarom iemand een keuze heeft gemaakt, dan zou dit een onzinnige vraag zijn, zijn keus is immers vrij en daarmee zonder oorzaak.
Het waarom of waardoor heeft geen enkele zin en is onmogelijk te beantwoorden. Het idee dat ik iets uit vrije wil doe is vergelijkbaar met het “om toch” antwoord dat kinderen geven op de vraag waarom ze iets gedaan hebben. “Om toch” is geen antwoord maar een bevestiging van het niet kennen van de oorzaken.

Dit is ook precies de verklaring die Spinoza geeft van onze vrije wil. De vrije wil is niets anders dan de verzameling van keuzes waarvan we niet exact weten hoe deze ontstaan zijn. Ze zijn niet vrij of oorzaakloos maar volledig gedetermineerd in oorzakelijke verbanden maar het ontbreekt ons aan de volledige kennis van deze verbanden.

Hiermee kom ik op de tweede eis aan de vrije wil, namelijk het bestaan van alternatieve opties. Als de vrije wil oorzaken heeft dan is de vrije wil gedetermineerd door deze oorzaken en verdwijnt de vrijheid. Als ik de oorzaak ben van mijn keuzes en mijn ik is gevormd door opvoeding en ervaringen uit het verleden, dat is mijn wil gedetermineerd door wat ik hiervoor heb meegemaakt en daarmee niet vrije. Voor een vrije wil moet er ergens ruimte zijn, het universum mag dan niet deterministisch zijn.

Zoals ik al zei, zijn wij geconditioneerd om deterministisch naar de wereld te kijken, wij zijn geneigd om overal een oorzaak voor te zoeken en menen ook dat de vraag naar waardoor iets komt ook een antwoord heeft. De vrijheid van de wil is strijdig met deze deterministische blik op de wereld. Om de vrije wil ruimte te geven, moeten we dus indeterminisme toestaan. Dit is in principe geen probleem, de kwantumtheorie lijkt hiervoor bijvoorbeeld mogelijkheden te bieden. Het indeterminisme van de kwantumtheorie is echter niet volledig vrij. De kwantumtheorie stelt dat er als gevolg van een bepaald experiment mogelijk meerdere verschillende uitkomsten zijn en dat elke mogelijke uitkomst een kans heeft van optreden.

Toeval

Er is dus toeval aanwezig maar dat is nog geen vrije wil. Toeval biedt wel alternatieve opties maar geen controle over deze opties en daarom geen ruimte voor de vrije wil. Een toevallige wil is nog geen vrije wil. Ook in het geval van een toevallige wil zou er in ons een generator van keuzes huizen die willekeurige keuzes voortbrengt zonder dat ik daar als persoon enige invloed op heb. Dit zou ik geen vrije wil durven noemen. Het past ook niet in onze definitie waarbij we uitgingen van een vermogen dat ik heb om in vrijheid keuzes te maken. Toeval redt de vrije wil niet.

Indeterminisme kunnen we ook aanbrengen in ons universum door een goddelijke ingreep te veronderstellen. Een ingreep die niet gevangen kan worden door natuurwetten maar die volledig ongereguleerd en buiten elke regel om plaats kan vinden.

Hoe onlogisch we dit wellicht ook vinden, op universele schaal is een dergelijke ingreep buiten de natuurwetten voorstelbaar. Een God met een universele vrije wil die zich volledig onttrekt aan wetmatigheden, biedt echter nog geen persoonlijke en individuele vrije wil. Hiervoor moeten we geen universele goddelijke ingreep veronderstellen maar een individuele goddelijke ingreep. Deze vrije wil veronderstelt een godje in ons zelf.
Dit persoonlijke godje is echter — omdat het niet universeel is — beperkt en eindig en een eindig en beperkt godje kan ook maar een eindig en beperkt aantal keuzes maken.

Een beperkt en eindig aantal keuze kan echter vertaald worden in een eindig en beperkt aantal wetten of regels. In essentie kunnen we geen verschil maken tussen een eindige vrije wil of een door een eindig aantal zeer specifieke persoonlijke wetmatigheden gedetermineerde wil. Een vrije wil vereist oneindige mogelijkheden. Alleen als wij ons zelf als universele godheid zien, kunnen we ons een volledige vrije wil toeschrijven. Helaas sluit onze eigen universele vrije wil dan wel de vrije wil van onze medemens uit.

In het voorgaande heb ik duidelijk willen maken dat een streng gedefinieerde vrije wil leidt tot onhoudbare conclusies. We moeten iets oorzaakloos veronderstellen wat toch door ons gecontroleerd kan worden. We moeten een ik, een soort godje in ons veronderstellen die keuze maakt. Dit godje moeten we ik noemen maar staat wel los van wie we zijn als mens met een geschiedenis en dus met oorzaken. Een streng gedefinieerde vrije wil als een oorzaakloze bron van onze beslissingen is zodoende moeilijk vol te houden. Het is echter moeilijk om een als prettig ervaren concept op te geven. Het is vaak gemakkelijker om de strakke betekenis op te geven dan het concept volledig los te laten.

Dit zien we bij veel wetenschappers die wel in God zeggen te geloven maar deze God zo ver hebben uitgekleed dat het honderd of tweehonderd jaar geleden als ernstige godslastering zou worden bestempeld.

In het moderne vrije wil debat zien we hetzelfde. Er is niet zo zeer een strijd meer over het wel of niet bestaan van de vrije wil, broncontrole en alternatieve opties. De strijdigheden worden over het algemeen als te problematisch beschouwd om het debat nog op deze onderwerpen te voeren.

Compatibalisten

Tegenwoordig is er een groep vrije wil verdedigers, de compatibalisten, die proberen de eerdergenoemde conflicten te voorkomen door de definitie van de vrije wil aan te passen. Een bekende vertegenwoordiger hiervan is Dennett.
Deze compatibalisten worden zo genoemd omdat ze geen strijdigheid zien tussen determinisme en de vrije wil, deze zijn compatibel omdat volgens de compatibalisten geen broncontrole en alternatieve opties nodig zijn. Voor compatibalisten volstaat het voor een beslissing om vrij genoemd te worden als ik deze beslissing neem en ik deze neem zonder dat ik daartoe door externe factoren wordt gedwongen. Van de eisen aan de vrije wil, alternatieve opties, broncontrole en een ik, blijft bij hen dus alleen de beslissende persoon over.

In mijn optiek spreken compatibalisten over een ander soort vrijheid op het moment dat zij de strijdigheid tussen vrije wil en determinisme proberen op te heffen. Ze spreken over het gevoel van vrijheid dat wij allemaal hebben en verwarren dit met de vrije wil.
De vrije wil gaat echter niet over het kunnen doen wat we willen maar over het kunnen willen wat we willen. Dat er beslissingen zijn die ik kan nemen zonder dat ik dwang ervaar, dat ontken ik geenszins. Ik ontken alleen dat deze beslissing zonder voorgeschiedenis is.

Compatibalisten maken op een of andere wijze onderscheid tussen beslissingen die ik kan nemen zonder dwang van buiten en beslissingen die beperkt worden door externe factoren. Ik kan dit onderscheid moeilijk maken, zijn er dan interne oorzaken die niet in het verleden zijn bepaald door externe factoren. Een keuze vanuit mijn karakter en voorkeur zou door compatibalisten vrij genoemd worden maar mijn karakter en voorkeuren zijn voor de beslissing nu wellicht intern en niet extern gedwongen maar ooit zijn deze gevormd door externe factoren.

Door deze aangepaste definitie hopen ze de vrije wil te redden maar wellicht belangrijker nog, onze verantwoordelijkheid overeind te houden. De aandacht wordt gelegd op het vermogen dat wij hebben om te veranderen, door zelfcorrectie en zelfcontrole, dat we onze daden kunnen evalueren en de mogelijkheid hebben om ons te veranderen. Dit zijn echter allemaal zaken die ik niet ontken, ik wens daar enkel niet de term vrije wil voor te gebruiken.

De oorsprong van deze ideeën is echter voor ons wel van belang, want het gevoel van vrijheid en de mogelijkheid om ons te veranderen en te verbeteren wil ik zeker niet opgeven met het ontkennen van de vrije wil.
De compatibalisten stellen dus terechte vragen bij de mogelijke gevolgen van het ontkennen van de vrije wil maar het antwoord op deze vragen is volgens mij niet het veronderstellen van een uitgeklede versie van de vrije wil.

Emergentie

Er is nog een andere reddingsboei die vaak gebruikt wordt om de vrije wil te behouden en dat is emergentie. Dit houdt in dat in een eenvoudig systeem complexe eigenschappen kunnen ontstaan die niet bestaan in de elementen van dit systeem. Een verzameling moleculen geeft een voorwerp een kleur maar elk molecuul heeft geen kleur. Er ontstaat dus een kenmerk op hoger niveau dat op een lager niveau niet bestaat.

Nu zou het ook kunnen zijn dat de vrije wil niet bestaat op een laag, volledig deterministisch niveau maar wel op een hoger niveau.
Er ontstaat op een hoger niveau echter geen vrijheid als dit macroniveau volledig gedefinieerd is binnen het microniveau. Vrije wil op macroniveau is alleen mogelijk als op dit niveau zaken kunnen voorvallen die geen relatie hebben met het microniveau. Vraag is in dit geval waar deze zaken dan door bepaald worden.
Niet door het microniveau en niet door de voorafgaande macrotoestand omdat we dan evengoed in determinisme terecht komen. Deze zaken moeten dus op mysterieuze oorzaakloze wijze ontstaan waarbij we op dezelfde problemen stuiten als bij de oorzaakloze vrije wil.

Tegenstrijdigheden

De vrije wil die wij nagenoeg voetstoots aannemen is dus minder vanzelfsprekend dan we vaak denken. Een consequent doordenken van deze vrije wil doet ons in een aantal tegenstrijdigheden belanden, strijdigheden die zich niet voordoen als we de vrije wil niet aannemen. Verder zijn er naar mijn mening geen redenen om de vrije wil aan te nemen om iets te verklaren wat anders niet verklaarbaar is. Het gedrag van ons en onze medemens is prima te verklaren zonder het aannemen van een vrije wil.

De enige reden om te geloven in een vrije wil is omdat wij het gevoel hebben dat we vrij kunnen handelen, maar ook dit gevoel is verklaarbaar zonder de vrije wil aan te nemen. We hebben het gevoel dat we vrij handelen omdat we de oorzaken van al onze handelingen niet kennen. We hoeven de vrije wil dus niet aan te nemen om iets te verklaren wat we om ons heen zien.

Het aannemen van de vrije wil leidt tot allerlei strijdigheden die het concept lastig houdbaar maken en bovendien leidt, zoals we in het eerste deel zagen, de aanname van de vrije wil tot een scala van er mee samenhangende denkfouten. Dus waarom houden we dit concept nog aan?
Dat doen we omdat het concept bepalend is voor de manier waarop we naar onszelf, onze medemens en de maatschappij kijken. In het laatste deel zal ik daarom nagaan hoe dit mogelijk is zonder de vrije wil. In lijn met Spinoza zal ik dit doen door de voordelen van het niet geloven in de vrije wil te laten zien op deze drie gebieden.

De voordelen van het niet bestaan van de vrije wil

Voor ons zelf

Het voordeel voor ons zelf is dat we omdat we weten dat we niet vrij kunnen handelen de emotionele gevolgen van onze handelingen niet hoeven te ondergaan. We hoeven ons niet schuldig te voelen over onze misstappen maar ook trots en hoogmoed zijn niet meer mogelijk. Hoe kunnen we ons immers schuldig of trots voelen als we niet de mogelijkheid hadden het anders te doen.

Dat schuldig voelen niet fijn is mag duidelijk zijn. Ook trots is niet alleen een minder prettige houding voor onze omgeving maar ook voor onszelf biedt het geen voordelen. Trots doet ons net als schuldig voelen tot stilstand komen en berusten in onze situatie zonder de noodzaak te zien om te verbeteren.

U zult mogelijk denken dat schuldig voelen noodzakelijk is om ons gedrag te verbeteren maar dit is niet het geval. Als we de gevolgen van onze daden beschouwen en beoordelen dat ons gedrag negatief uitgevallen is, kan dat voldoende basis bieden voor verbetering. Een naar gevoel draagt niet automatisch bij tot een grotere kans van verbeteren van ongewenst gedrag.

Aan de andere kant kan het schuldgevoel nu juist zorgen voor het niet verbeteren. Het knagende schuldgevoel ervaren we immers als een soort straf en we zullen daarmee geneigd zijn om dit als voldoende compensatie voor ons kwalijke gedrag te beschouwen. Schuld maar ook trots hebben de sterke neiging om achterom te kijken, trots en schuld zijn immers verbonden met gedrag in het verleden en de vertaalslag naar de toekomst is niet een gegeven.

Als we niet in de vrije wil geloven kunnen en moeten we ons steeds afvragen wat de oorzaken van onze daden waren en hoe we kunnen voorkomen dat we in de toekomst vanuit dezelfde oorzaken dezelfde foutieve keuzes maken. Het ontkennen van de vrije wil levert geen gemakkelijk fatalisme. Bij fatalisme hoeven we niet te handelen of te veranderen omdat er toch wel zou gebeuren wat er moet gebeuren.
Maar zonder de vrije wil moeten we daarentegen wel handelen omdat zonder handelen er geen gevolg zal zijn. Hoe noodzakelijk het gevolg ook mag zijn, het ontstaat niet zonder onze handeling. Als we het niet bestaan van de vrije wil met fatalisme in verband brengen dan vergeten we dat wij geen volledige kennis hebben van de oorzaken en gevolgen.

Vanuit deze onvolledige kennis zijn we gedwongen keuzes te maken en deze keuzes moeten we baseren op voorgaande ervaringen. Het paradoxale is dat we niet anders kunnen handelen maar omdat we niet weten hoe we zullen handelen moeten we kiezen hoe we gaan handelen en voor een goede keuze moeten we kijken naar de oorzaken van ons handelen.

We hoeven niet met schuld of trots terug te kijken naar het verleden maar hebben de verplichting om met verantwoordelijkheid naar de vanuit onze onkunde open toekomst te kijken.
Dit lijkt op de houding die de compatibalisten voorstaan alleen ontkennen zij de schijnbare paradox. Het ontkennen van de vrije wil is nog niet het ontkennen van het maken van de beste keuze.

Tegenover onze medemens

Richt het voordeel van de vrije wil voor ons zich vooral op het voorkomen van onprettige gevoelens, voor onze medemens ligt het voordeel in het niet meer bestaan van de gevolgen van deze gevoelens. Als wij ons zelf niet trots of schuldig meer hoeven of kunnen voelen, dan kunnen we anderen ook niet meer verwijten, haten, minachten of uitlachen.

Ook zij konden net zomin als wij anders handelen dan ze deden. En net zoals we voor ons zelf moeten proberen in de toekomst beter te handelen, zo moeten we onze medemens helpen om zijn of haar gedrag te beteren. We voelen dus geen haat meer, wat op zichzelf al prettig is, maar zullen ook onze medemens niet meer haatdragend benaderen, wat voor hen prettig is.

Ook positieve gevoelens hebben geen basis meer, zoals bijvoorbeeld dankbaarheid.
Dit klinkt vreemd maar is logisch als we dergelijke emotie nauwkeurig en helder bekijken, iets wat Spinoza in zijn Ethica zeer nauwgezet doet. Dankbaarheid lijkt mooi, maar is in werkelijkheid een vorm van schuldig voelen of kleiner voelen. Dankbaarheid is niet alleen blijheid, het is blijheid met een randje schuldgevoel. Zou het niet prettiger zijn als iemand die je geholpen hebt niet dankbaar is maar blij?

Als je buurman je uit de brand geholpen heeft, kun je prima zeggen dat je blij bent dat hij je geholpen heeft. Je kunt uitspreken hoe fijn je het vindt dat hij dat belangeloos heeft gedaan en aanbieden dat je hem zult helpen als daar de gelegenheid voor is en dit alles kan zonder dankbaarheid te voelen.
Een leven zonder vrije wil betekent dat we vele zaken die we nu nog als positief en waardevol waarderen op hun werkelijke waarde moeten onderzoeken maar dit betekent niet dat we geen gevoelens overhouden. Blijdschap is altijd goed.

Tegenover de maatschappij

Uiteindelijk moet het inzicht van de vrije wil ook doorwerken in de organisatie van onze maatschappij en ter verbetering van het algemene belang. Een duidelijk voorbeeld geeft het strafrecht. Het huidige strafrecht in Nederland is een mengeling tussen straffen uit vergelding en straffen ter correctie.
We kennen minimale straffen voor misdaden en een misdaad met grote sociale verontwaardiging zal gepaard gaan met hogere straffen.
Aan de ander kant kunnen mensen ook verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard en in plaats van naar de gevangenis naar een inrichting met behandeling worden gestuurd.

Het vergeldende component kan echter geen plek meer hebben in een strafrecht dat uitgaat van het niet bestaan van een vrije wil. We kunnen de persoon niet straffen uit vergelding als deze niet anders kon. Het gehele strafrecht moet zodoende gericht worden op voorkomen. De meest humane vorm van voorkomen is om de dader zo te veranderen dat hij niet weer vervalt in zijn misdaden. Dit kan door heropvoeding, door het bieden van een opleiding, medicijnen die impulsen onderdrukken of allerlei andere maatregelen.

Welke maatregel we ook verzinnen en wat we er ook van mogen vinden, het criterium van toepasbaarheid zou moeten zijn dat een vergelijkbare toekomstige misdaad wordt voorkomen. Verwijten en wraak mogen hierbij geen rol spelen.
Een ander aspect is het schadeloos stellen. Door een misdaad is er over het algemeen schade ontstaan waarvoor de misdadiger verantwoordelijk is. Niet verantwoordelijk omdat hij de misdaad uit vrije keus heeft gemaakt, maar verantwoordelijk in de zin dat hij de oorzaak van de schade is. Dit is te vergelijken met schade die iemand per ongeluk toebrengt. Je let even niet goed op en fietst tegen een geparkeerde auto, of je gooit je portier onoplettend open en er botst een fietser tegen aan. In dit geval is er schade maar over het algemeen verwachten we geen vergelding of wraak. We verwachten wel, en dat mogen we ook, dat de toegebrachte schade wordt vergoed. Een storm hoeven we niet schuldig te noemen om een verzekering aan te kunnen spreken.

Tegenover de wereld

Als we door de vrije wil op te geven en de daarmee samenhangende religieuze blik op de wereld naast ons neerleggen, dan heeft dit grote gevolgen voor onze houding tegenover de wereld. We kunnen ons niet meer beroepen op zaken buiten of na dit bestaan en moeten ons enkel verhouden met de werkelijkheid zoals ze zich hier aan ons voordoet.

Dit inzicht helpt ons om in te zien hoe we om moeten gaan met de wisselvalligheden van het lot. Hoe vreemd het ook mag klinken in een noodzakelijk ontvouwend universum toch helpt dit inzicht in de noodzakelijkheid ons om het schijnbare toeval te dragen. Wat ik bedoel is dat er veel zaken zijn die niet in onze macht liggen en zich onttrekken aan onze fysieke en mentale vermogens.

Deze dingen die niet uit onze aard volgen, deze spelingen der natuur, kunnen ons behoorlijk van slag brengen maar we moeten ons realiseren dat we geen vrij vermogen hebben om ons hiertegen te verzetten.
We moeten de twee gezichten van het lot gelijkmoedig verdragen en hoeven niet boos te worden op de wereld, net zomin als we boos hoeven te worden op onszelf of op onze medemens. Het geloof in de vrije wil plaatst ons buiten de orde van de natuur en we beschouwen ons als een koninkrijk binnen een koninkrijk.

Het niet geloven in de vrije wil zorgt ervoor dat we ons volledig verbonden weten met de natuur en geheel zijn opgenomen in de orde van die natuur.
We hoeven de grillen van de natuur niet te betreuren, we hoeven niet te hopen op hulp, we hoeven niet dankbaar te zijn of bang.
We weten dat we slechts een kleine rol in de ontwikkeling van de natuur zijn, we zullen ons niet op de borst te kloppen over deze kleine rol en we weten ook dat onze rol in het raderwerk van de gehele natuur even waardevol is als elk ander radertje in het uurwerk.

Noten

[1] Uitgeschreven lezing – nummer 2 De denkfout van de vrije wil
[2] Ik wil hierbij Martin Olden en Joke Koppius graag bedanken voor de taalkundige correctie van deze tekst. Verder wil ik graag vermelden dat ik voor deze lezing gebruik heb gemaakt van het boek “Zonder vrije wil” van Jan Verplaetse en me heb laten inspireren door het boek “De vrijheid van de wil” van Schopenhauer.
Copyright © Rikus Koops 2017. Niets uit deze uitgave mag op enige wijze vermenigvuldigd worden tenzij vooraf toestemming is verleend. Voor informatie of opmerkingen kunt u zich wenden tot info@overspinoza.nl. Gepubliceerd op 27 juni 2017: www.overspinoza.nl.
[3] Bron: benedictus-de-spinoza

Rikus Koops

combineert zijn werk bij een ingenieursbureau met allerhande activiteiten rond Spinoza. Op dit moment richt hij zich op het geven van cursussen en lezingen en probeert hij een serie korte notities op te stellen die een specifiek onderwerp binnen de filosofie van Spinoza behandelen.