De filosofie van Spinoza

0

Zijn denken als moderne levensovertuiging

Rikus Koops

Lezing op 22 april 2018 te Huissen, in samenwerking met Fons Snelder en Rob Sweere.[1]

Onze ellende en de oorzaak van onze ellende

Figuur 1 Band van Möbius II, M.C. Escher[2]

Hoe je het ook wendt of keert, wij als mens zullen altijd proberen om ons leven zo prettig mogelijk in te richten. We zullen altijd op zoek zijn naar dat wat ons gelukkig maakt en we zullen altijd willen voorkomen dat we ons ellendig voelen.

De keuzes die we maken in ons leven zijn gericht op dit geluk en het voorkomen van ellende en deze keuzes worden bepaald door de overtuigingen die we hebben, onze levensvisie zouden we kunnen zeggen.

Velen nemen de levensvisie van hun ouders of omgeving over, anderen zoeken het in oosterse culturen. Ik wil onderzoeken wat de filosofie van Spinoza ons kan bieden als moderne levensovertuiging. Heel vreemd is dit niet, het belangrijkste werk van Spinoza, de Ethica, is een lange zoektocht naar maximaal geluk. Geen eenvoudige kost en zeker geen eenvoudig boek. Het doorzien van zijn terminologie is daarbij misschien wel de belangrijke drempel in een goed begrip.

Ik zal hier daarom deze terminologie zo veel mogelijk voorkomen en een en ander in mijn eigen bewoordingen gieten. Enige interpretatievrijheid heb ik mij daarbij gegund. Kernvraag hierbij is waarin ons maximale geluk ligt of negatief gesteld, wat de bron van onze ellende is.

De ellende uit pijn

De meest duidelijke vorm van ellende is de ellende van pijn, tegenslag, ziekte en verlies. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat het wenselijk is om hier aan te ontsnappen.

Figuur 2: Ellende uit pijn ― Snijden aan gras, Co Westerik[3]

De ellende uit onze drijfveren

Een andere soort ellende is minder duidelijk aanwezig maar brengt ons wel dichter bij de bron van onze ellende. Dit is de ellende die schuilt in de zaken die veel mensen belangrijk vinden.

In een vroege tekst van Spinoza onderzoekt Spinoza dit. Hij kijkt om zich heen en constateert dat de meerderheid van zijn medemensen hun leven inrichten op het maximaliseren van eer en aanzien, van rijkdom en bezit en van lust en genot.
Hoe aangenaam deze zaken ook kunnen zijn, de ellende zit erin meegebakken. We kunnen nog zo veel bezitten maar altijd zullen we de angst hebben het te verliezen of moeten we ons zorgen maken om het te beschermen. Hoe rijk we ook zijn, dat wat een ander heeft en wij niet zal altijd een hunkering laten bestaan.
Bij eer is het nog ernstiger, onze eer kunnen we in het geheel niet bezitten, het is de mening en het oordeel van anderen waarvan we alleen maar kunnen hopen dat deze niet omslaat bij de minste of geringste verandering van mijn gedrag.
Lust geeft ontegenzeggelijk een kort moment van vreugde en plezier en op zichzelf is hier ook niets op tegen, maar ook deze vreugde is afhankelijk van de beschikbaarheid van het geliefde. Zelfs als deze beschikbaarheid langdurig is, zal het genot en geluk maar tijdelijk zijn. Al deze maar al te menselijke drijfveren bieden op hun best kort geluk en daarna lijden en last. En zelfs het korte geluk heeft altijd het zwarte randje van tijdelijkheid en afhankelijkheid.

Figuur 3: Ellende uit drijfveren ― De hooiwagen, Jeroen Bosch[4]

We moeten niet de fout maken dat Spinoza met zijn afwijzing van de dagelijkse vreugde een pessimistische en sombere levenshouding verdedigt.
In tegendeel, we mogen genieten van dat wat ons voorvalt. We mogen genieten van wijn, eten en seks als we maar niet denken dat dit voor altijd is en als we maar niet proberen dit voor altijd te willen behouden. Voor somberheid is geen enkele noodzaak en voor pessimisme nog minder. Genieten van vreugdevolle zaken is ultiem mogelijk als we weten dat het stabiele geluk in iets anders ligt.

Maar bij de zoektocht naar dit stabiele geluk gaat het ook vaak mis en dat brengt ons bij de derde soort ellende.

De ellende uit onze overtuigingen

Figuur 4: Ellende uit overtuigingen ― Icarus, Hendrick Goltzius[5]

De eerste soort ellende uit pijn en tegenslag is duidelijk, de tweede soort ellende uit onze drijfveren is lastiger in te zien, maar nog steeds goed uit te leggen. De derde soort van ellende is nog een stapje abstracter. Deze laatste soort heeft te maken met de oordelen en overtuigingen die we projecteren op de wereld om ons heen.
De meeste mensen klampen zich niet alleen vast aan de schijnbare zekerheid van rijkdom, eer en lust maar ook aan de veronderstelde vastigheid in de wereld.

Zo leeft bij velen de overtuiging van een eigen zelf, een onveranderlijke kern van ons zijn, een kern die uit vrije wil handelt en ons leven stuurt. We trekken en grens tussen ons en de rest van het universum, we zien ons als autonoom, vrij in te kiezen wat we wel en niet willen en kunnen. Het wrange inzicht in de eindigheid van ons bestaan sussen we met het idee van het voortbestaan van een geestelijk ik.

Hoe vanzelfsprekend en geruststellende deze overtuigingen ook lijken, ook hier zit de ellende mee ingebakken. In ons zelf is namelijk geen vaste kern te vinden, net als al het andere in de wereld zijn wij veranderlijk en afhankelijk. De veranderlijke wereld zal ons altijd pijnigen als wij menen dat zaken stabiel en permanent zijn in deze wereld.

We kunnen deze pijn verzachten of wegstoppen door buiten onze wereld iets te verzinnen dat wel permanent is. Een God die onze wereld geschapen heeft en die de veranderingen in de wereld stuurt en ons na onze dood liefdevol opneemt. Helaas biedt de wereld weinig tot geen aanleiding voor volledige zekerheid van dit geloof en het knagende onzekere randje is de bron van religieuze onverdraagzaamheid, vooral richting atheïsten.

De vanzelfsprekende oplossing, het opgeven van een geloof in God, is echter niet voldoende om de ellende die voortkomt uit onze overtuigingen te voorkomen. Ook zonder een geloof in een schepper, is een geloof in doelmatigheid in de wereld ruimschoots aanwezig. Wij zijn als mensen zo gewend aan doelmatig handelen dat we ook de natuur als geheel als doelmatig willen zien. Zelfs mensen die niet geloven in een god zullen vaak vragen waarom iets plaatsvindt en wat het nut ergens van is, alsof er iets is dat de wereld een hoger doel geeft en het leven zin.

Het is maar al te menselijk om ons ingebakken doelgerichtheid te vertalen naar de wereld als geheel. Net zo makkelijk is het om deze doelgerichtheid te vertalen naar een vrijheid van wil. We dichten ons zelf niet alleen een ik toe, we koppelen aan deze ik ook een ultieme vrijheid. Zelfs als we afstand van een God buiten de wereld, creëren we met een vrij handelend ik in plaats daarvan een god in ons zelf. Een kern die zich onttrekt aan de wetmatigheden van de wereld en in zelfstandigheid bepaald wat het wil en doet.

We creëren niet alleen een ik maar ook nog een beter ik. We maken onderscheid in hoe we handelen en hoe we zouden willen handelen. Ondanks onze fouten schuilt er in ons een ik met goede en zuivere intenties. Al deze overtuigingen ― van een God buiten de wereld, tot een vrije wil god in ons zelf ― draperen een laken van ideaalbeelden over de werkelijkheid. Zodra de werkelijkheid door dit ideaal breekt, is dit een bron van fundamentele ellende.

De rol van afhankelijkheid

Al deze ellende of het nu voortkomt uit tegenslagen, uit drijfveren of uit overtuigingen, vindt zijn oorzaak in het hechten aan dingen die veranderlijk en afhankelijk zijn.
De verandering is onafwendbaar omdat er in de wereld niets is dat blijvend en onafhankelijk is. Daarmee is onze ellende onafwendbaar. De wereld is vergankelijk en veranderlijk en er is niets dat blijft wat het is.

Willen we onze ellende beperken dan moeten we onze afhankelijkheid van afhankelijke dingen kwijt zien te raken. We moeten onze geruststellende overtuigingen opruimen om plaats te maken voor inzichten die wel passen bij de wereld zoals ze is.
We moeten ten diepste weten, dat alles verandert waarvan we denken dat het stabiel en zeker is en we moeten zoeken naar dat wat echt zeker is. We moeten af van de onwetendheid en de geriefelijke overtuigingen die ons in slaap sussen.

Een gemakkelijke waarheid is een waarheid die we moeten wantrouwen, ongemakkelijke waarheden die we aan alle kanten proberen tegen te houden maar die zich in al hun rationaliteit aan ons opdringen, die hebben de hoogste graad van betrouwbaarheid.

In de Ethica pakt Spinoza de zoektocht naar waarheid, het opheffen van onwetendheid en het verstandelijke opruimwerk fanatiek op. Hij start met een onderzoek naar wat werkelijk waar is en beent zijn overtuigingen tot op het bot uit totdat hij een minimum aantal zekerheden overhoudt. Hij zoekt niet naar het waarom, er is immers geen doel of zin, maar hij zoekt naar het waardoor, naar de oorzaak van de dingen.

Vanuit het kleinste aantal zekerheden begint hij te bouwen, de zekerheden gebruikt hij als oorzaken om een netwerk op te bouwen. Hij bouwt een visie op de wereld die geen ruimte laat voor de vertroebeling en opsmuk die we er zo makkelijk overheen draperen.
Hij redeneert en denkt zo helder mogelijk vanuit een zo smal mogelijke basis en komt op waarheden die hem zelf waarschijnlijk ook niet altijd meteen hebben aangesproken.
Hij heeft zijn denkwerk echter voortgezet en daarmee een sloophamer voor ons maar al te gemakkelijke denkpatronen opgesteld.

Een sloophamer voor onze ingebakken ellende.

Einde van onze ellende

We weten inmiddels waaruit onze ellende bestaat en dat deze voortkomt uit onwetendheid en onjuiste kennis, een kennis die ons doet zoeken naar vastigheid in de veranderlijke en tijdelijke dingen.

Het is nu zaak om te kijken hoe we deze ellende kunnen beperken of beëindigen. De basis onder onze ellende is een onjuiste visie op de wereld en voor het wegnemen van deze ellende moeten we op zoek gaan naar juiste kennis over hoe de wereld werkt.

Juiste kennis

Spinoza zoekt naar deze juiste kennis en hij gebruikt daarvoor twee wegen.

De eerste weg is om simpelweg te starten met de kennis die we hebben. Het enige criterium dat we gebruiken is dat de kennis die we hebben, opgenomen moet kunnen worden in een netwerk van ideeën en dat dit een coherent geheel wordt. Kennis die elkaar tegenspreekt moet incorrect zijn en moet ons aanzetten tot het wegnemen van deze tegenspraak.

Volgens Spinoza kunnen we hiervoor met elke willekeurige collectie kennis beginnen als we maar bereid zijn alle kennis op te geven die niet binnen het netwerk past.
Zoals de vroege mens begon met simpele gereedschappen van steen en stokken en langzaam met deze simpele gereedschappen ingewikkelder gereedschap bouwde totdat we in de huidige tijd de beschikking hebben over computers, telefoons en ander ingewikkelde hulpmiddelen, zo kunnen wij als mens met simpele en mogelijk zelfs foutieve kennis aan de slag gaan en deze verbeteren en verhelderen tot een netwerk van coherente en correcte kennis.
Alhoewel dit een mogelijk pad is, is het een lange weg met vele hindernissen en het risico dat we halverwege blijven steken in een geriefelijke collectie onjuiste kennis zonder verder te durven en willen gaan in ons onderzoek.

Figuur 5: Het al-ene ― Het begin van de wereld, Constantin Brâncuși [6]

De tweede weg is korter, deze weg begint bij de correcte kennis die iedereen volgens Spinoza heeft en die zeer effectief als zuivering kan dienen voor de incorrecte kennis en die we eenvoudig kunnen uitbreiden door er andere kennis mee te verbinden.
Ook in dit geval komen we daarmee tot een netwerk van coherente kennis. Het eindresultaat zal hetzelfde zijn, de tweede route is alleen sneller.

Probleem is echter wat deze gegeven correcte kennis is die als startpunt kan dienen?

Eenheid en enigheid van alles wat is

Volgens Spinoza is dit het idee van de eenheid en enigheid van alles wat is. Dit idee is voor hem even helder en duidelijk als onbetwijfelbaar en hij gebruikt dit als handvat van de sloophamer waarmee hij zijn en ons verstand ontdoet van gemakzuchtige en onware kennis.

Spinoza noemt het ene dat alles bevat wat er is meestal God, soms Natuur, met een hoofdletter of heel af en toe substantie.
Ik zal hier de term het al-ene gebruiken en soms de omschrijving alles wat is of het geheel van alles. Ik hoop hiermee te voorkomen dat de boodschap die Spinoza en ik willen neerzetten vervuild worden met associaties die hier niet bij passen maar wel samenhangen met de door Spinoza gebruikte termen.

Het al-ene is geen religieuze scheppende God, het is niet de natuur van plantjes en beestjes en het is niet de materiële substantie.
Het al-ene is niet meer en niet minder dan het geheel van alles wat is, het enige dat is en waar niets buiten kan bestaan of gedacht kan worden. Het idee van het al-ene laat zich niet bewijzen of afleiden, het is een gegeven waar idee dat zijn eigen waarheid toont.

Toch doet Spinoza pogingen om het rationeel voor ons begrijpelijk te maken, simpelweg omdat er op rationele weg over te spreken is. Over een idee dat gegeven is zonder dat het rationeel te vatten is, kunnen we niet spreken.

Een rationeel bewijs voor het bestaan van het al-ene

Dit rationele bewijs voor het al-ene volgt bijvoorbeeld uit de vaststelling, dat alles in de wereld verandert en dat elke verandering in de wereld een oorzaak heeft.

Alles stroomt en wijzigt en de stroom drijf zichzelf voort. Alles heeft een oorzaak in het verleden en alles heeft een gevolg in de toekomst. De gehele wereld is een netwerk van afhankelijkheid. Alles wat bestaat heeft daarmee een oorzaak en is afhankelijk van deze oorzaak.

Spinoza veronderstelt nu dat het denkbaar is dat niet alles afhankelijk is, maar dat er ook zaken kunnen zijn die onafhankelijk zijn en hij gaat onderzoeken waar voor kenmerken deze onafhankelijke zaken dan zouden moeten hebben.

Hij komt tot de conclusie dat deze zaken geen oorzaken buiten zich kunnen hebben en om zo te zeggen hun eigen oorzaak moeten zijn. Omdat ze hun eigen oorzaak zijn, kan deze oorzaak van hun bestaan nooit vergaan en bestaan ze dus voor altijd en hebben voor altijd bestaan. Als ze immers niet zouden bestaan zouden ze nooit tot bestaan kunnen komen.

Er is geen oorzaak denkbaar buiten dat wat onafhankelijk is, die dit onafhankelijke voort zou kunnen brengen. Verder zijn deze onafhankelijke zaken niet alleen onbeperkt in de tijd maar ook onbeperkt in omvang. Er is geen oorzaak die hun iets kan ontzeggen en zij moeten zodoende alles bevatten wat mogelijk is.

Omdat geen twee zaken alles kunnen bevatten wat mogelijk is, kunnen er geen twee van dergelijke zaken bestaan. Kortom, er kan maar een zaak zijn die onafhankelijk is, die zijn eigen oorzaak is, die alles bevat wat er is, die eeuwig en onbeperkt is en die alleen is zoals deze is volgens eigen wetten en niet vanuit er buiten bestaande wetten.

Figuur 6: Geen zelf ― Photographic realization of René Magritte’s paintings[7]

Deze ene zaak is het door mij al eerdergenoemde al-ene, de verzameling van alles wat is. Het is het geestelijke en het materiële. Alles wat ontstaat, bestaat en vergaat moet direct of indirect zijn verklaring vinden in dit al-ene.
Buiten dit al-ene kan niets bestaan en is niets denkbaar. Het idee van het al-ene kan niet zijn oorzaak vinden in iets anders dan het al-ene. Het heeft immers geen oorzaak waaruit zijn bestaan kan worden afgeleid. Het idee van het al-ene kan niet rationeel afgeleid of bewezen worden maar kan alleen maar direct en rechtstreeks gekend worden. Het is een gegeven waar idee dat zijn eigen waarheid aantoont. Het idee van het al-ene is daarmee het ultieme startpunt voor het netwerk van ware kennis.

Dit idee leidt namelijk tot een aantal inzichten die niet noodzakelijk vanzelfsprekend zijn, maar vanwege hun koppeling met de idee van het al-ene wel waar moeten zijn.

Vier paren van acht inzichten

Ik heb deze inzichten onderverdeeld in vier paren van acht inzichten. Elke paar is hetzelfde inzicht maar dan betrokken op het al-ene of op onszelf.

Het eerste inzicht

Het eerste inzicht is dat alles een is en er buiten dit geheel niets kan bestaan en dus ook geen traditionele God. Een scheppende God buiten onze wereld die deze wereld voor ons geschapen heeft, is niet meer mogelijk omdat er niets buiten het al-ene kan bestaan of gedacht worden. Vandaar de gelijkstelling van Spinoza tussen dit al-ene en God. Als we God definiëren als het hoogst denkbare dan is het niet vreemd om het al-ene met de term God aan te duiden. Het al-ene is het enige dat bestaat en het enige dat onafhankelijk en onveranderlijk is. Alles wat bestaat moet zodoende deel zijn van dit al-ene en afhankelijk en veranderlijk zijn.
Op persoonlijk vlak betekent dit inzicht dat wij mensen geen vaste kern, geen zelf hebben dat onze persoonlijke essentie uitdrukt of een ik dat onveranderlijk blijft door ons leven heen.

Het tweede inzicht

Figuur 6: Alles is volmaakt ― Onement VI, Barnett Newman[8]

Het tweede inzicht is dat het al-ene niet goed of slecht genoemd kan worden en dat het onmogelijk is iets niet goed te beschouwen aan de wereld.
Omdat een onvolmaakte wereld niet mogelijk is noemt Spinoza daarom het al-ene volmaakt. Het al-ene kan niet anders bestaan, het al-ene kan nergens anders mee vergeleken worden om er niets anders buiten dit al-ene bestaat.
Nog beter is het wellicht om te stellen dat het al-ene het volmaakte of onvolmaakte ontstijgt. Niet alleen het al-ene als geheel maar ook elk deel is volmaakt.

In de wereld is zodoende niets goed of fout. Alles is zoals het is, er is geen norm waar iets aan zou moeten voldoen, tenzij dit een menselijk gefabriceerde norm is.
Het persoonlijke aspect van dit inzicht is zodoende dat elk oordeel een oordeel vanuit vergelijking en vanuit nuttigheid voor ons is, maar dit oordeel zegt niets over hoe een deel van de wereld of hoe onze medemens zou moeten zijn. Elk oordeel zegt minimaal evenveel over ons dan over het beoordeelde.

Het derde inzicht

Zo zien we dat alles is wat het is, en er dus geen scheppende God kan zijn en dat alles volmaakt is en er dus geen oordelende God kan zijn. Het derde inzicht toont ons dat er geen doel is en dat dus ook een zingevende God onmogelijk is. Dit derde inzicht toont ons dat het al-ene geen doel of bestemming kent. Alles wat binnen dit al-ene ontstaat, bestaat of vergaat, kent zijn verklaring vanuit dat wat voorafging binnen dit al-ene. Er is geen verklaring vanuit de toekomst.
Het al-ene ontvouwt zich zonder doel of richting vanuit wat het nu is.

Figuur 7: Alles is zijn eigen verklaring ― Zwart vierkant, Kazimir Malevich[9]

Een wereld met een doel is ondenkbaar en een wereld geschapen voor de mens is helemaal onzin. De wereld als geheel kent geen doel of zin maar ook elk deel van de wereld heeft geen richtinggevend doel of zin. We hoeven ons niet bezig te houden met de vraag waarom iets plaatsvindt. Deze vraag bevat immers al de aanname dat er een doel is waarbinnen een bepaalde gebeurtenis een rol moet spelen.

In plaats daarvan zouden we ons met de vraag waardoor iets plaatsvindt moeten bezighouden. Met deze vraag kijken we terug in de historie op zoek naar de oorzaken die iets hebben voortgebracht in plaats van fictieve doeloorzaken in de toekomst te veronderstellen.

Het feit dat wij mensen doelgericht handelen, simpelweg omdat de kennis van de wetmatigheden ons in staat stellen een beeld te vormen van wat er in de toekomst plaats zou kunnen vinden, hoeft nog niet te betekenen dat de wereld als geheel doelmatig handelt.
Het projecteren van onze menselijke doelmatigheid op de wereld om ons heen is volgens Spinoza de oorzaak van het idee van een scheppende en oordelende God.

Figuur 8: Alles is noodzakelijk ― Klamauk, Jean Tinguely[10]

Spinoza breekt met deze inzichten niet alleen religieuze gedachten af, ook seculiere geruststellende ideeën moeten het loodje leggen.
Hij maakt het idee van verbetering en vooruitgang, het idee van doelmatigheid en zinvolheid onmogelijk.
Hij toont aan dat het idee dat wij als mens bijzonder zijn en een bijzondere plek in het universum hebben niet correct is.
Hij ontkent het bestaan van grenzen, alles is immers onderdeel van een ongescheiden geheel. Er is geen grens tussen het lichaam en de geest, tussen en materiële en het denkende.

Het vierde inzicht

Maar ook de grenzen tussen materiële dingen zijn niet werkelijk. Een ding is geen individu met harde grenzen tussen de andere omringende dingen.
Evenmin is de mens een scherp afgebakend, begrenst en stabiel geheel.
We zijn geen autonoom handelend individu. Er is geen harde grens tussen ons en de wereld, wij hebben geen zelf met een vaste stabiele kern.
Evenmin is er een vrije wil, er is geen mannetje in ons hoofd die naar eigen inzicht aan de knoppen zit. Geen vermogen dat zonder voorafgaande oorzaken beslissingen neemt.

Dit persoonlijke inzicht is een gevolg van het vierde en laatste inzicht, namelijk dat alles binnen het al-ene noodzakelijk is. Al ons handelen is net als de ontwikkeling van al het andere om ons heen gevangen in een netwerk van oorzaak en gevolg, een netwerk van oorzakelijke wetten.
Buiten het al-ene is geen verklaring mogelijk van datgene wat binnen het al-ene plaatsvindt, evenmin is er een verklaring vanuit een doel. Elke verklaring moet zodoende zijn basis vinden in hoe het al-ene op dit moment is en elke toekomstige toestand moet een afgeleide zijn van de huidige toestand.

Een troostrijke gedachte die Spinoza hieraan koppelt, is dat alhoewel wij een onbetekenend deeltje zijn van een immens geheel, wij binnen dit geheel wel noodzakelijkerwijs onze rol moeten spelen en dat voor de noodzakelijkheid van het geheel ons kleine handelingen evenveel belang hebben dan welke ander gebeurtenis ook.

Individu zonder ego

Ter aanvulling op het bovenstaande wil ik nog graag benadrukken dat het feit, dat we geen ego of zelf hebben niet betekent dat wij geheel afstand moeten doen van het idee van ons afgebakende individu dat doelgericht handelt. Wat wij zijn is een verzameling moleculen in de oneindige materiële wereld en een verzameling ideeën in de oneindige psychische wereld.
Deze verzamelingen kennen enige constantheid en alles wat we meemaken en ervaren hangt samen met deze min of meer constante verzameling. Wij kunnen de wereld om ons heen niet anders ervaren dan vanuit deze verzameling, maar daarmee heeft deze verzameling nog geen vaste en onwrikbare kern. En zeker geen kern die kan voortleven na onze dood.

In plaats van een zelf dat wil voortbestaan kent Spinoza deze verzameling een drang toe om zijn bestaan te willen voortzetten. Elke verzameling elkaar aantrekkende elementen kent het vermogen om in deze constellatie te willen blijven bestaan.
Spinoza noemt dit conatus, maar we zouden het ook de wil tot voortbestaan kunnen noemen. Deze wil heeft niet alleen de mens, maar elke kleine of grote verzameling in het al-ene kent deze drang tot voortbestaan.

Deze wil tot voortbestaan is voor Spinoza het ultieme uitgangspunt om het menselijke gedrag te verklaren. Er is geen ideaalbeeld van onszelf, we kunnen niet schaven aan onze vrije wil totdat deze handelt volgens een theoretisch, rationeel of religieus ideaal.
We hebben alleen deze wil tot bestaan en we hebben onze denkvermogens om onszelf en de wereld juist te kunnen leren begrijpen, zodat we onze wil tot voorbestaan kunnen richten op dat wat optimaal bijdraagt tot ons voortbestaan.

Het pad naar het beter kennis

Figuur 9: De eerste soort kennis uit waarneming ― Der Wanderer über dem Nebelmeer, Caspar David Friedrich[11]

We hebben inmiddels gezien dat het idee van het bestaan van het al-ene even vanzelfsprekend als waar is en dat dit idee als ankerpunt kan dienen voor ons netwerk van ware kennis en als sloophamer bij het opruimen van onjuiste kennis.

Het idee van het al-ene is onveranderlijk omdat het al-ene onveranderlijk en onafhankelijk is en in de kennis van dit al-ene ligt het einde van de ellende uit de hunkering naar veranderlijke en eindige zaken.
Het al-ene staat als geheel buiten alle wijzigingen en is omdat het alles bevat wat er is ook in laatste instantie de oorzaak achter elke verandering.
De kennis van het al-ene overstijgt alles maar is tegelijk ten diepste in alles aanwezig. Het is de kennis van dat wat het geheel en het deel delen.

Het pad naar het einde van de ellende is gelijk aan het zoeken naar de juiste kennis en het bevrijden van de ellende ligt in het vinden van de ware kennis.

Het achtvormige pad ― de eerste weg

Dat klinkt even fantastisch als vaag en laat nog niet zien hoe we deze weg moeten bewandelen. Spinoza beschrijft zoals gezegd twee wegen die ik samenvat en combineer in een achtvormige gang naar steeds juister kennis. Door dit pad te volgen doorlopen we drie soorten kennis. De eerste soort is de kennis uit waarnemingen en ervaringen, de tweede soort is de rationele kennis en de derde soort is de intuïtieve kennis.

Ter illustratie van dit achtvormige pad zal ik eerst de weg beschrijven van de eerste naar de derde soort kennis en hierbij zal ik ook direct uitleggen wat deze soorten kennis kenmerkt.

Eerste soort kennis

Het startpunt van de eerste weg is niet het allesomvattende idee van het al-ene, maar de meest basale kennis die we hebben en dat is de kennis van onze waarnemingen en ervaringen. Wij als mens zijn in staat tot deze waarnemingen en ervaringen en deze kunnen wij opslaan en ons herinneren.
Deze kennis is ons beginmateriaal, er is geen garantie dat deze kennis goed is, onze zintuigen bedriegen ons vaak genoeg, maar we moeten het er in eerste instantie mee doen.

Wij als mens zijn niet alleen registrerend, wij hebben ook het vermogen om kennis met elkaar te verbinden, te vergelijken en logische conclusies te trekken.
We zijn een wezen met rationele denkvermogens en kunnen de kennis uit onze waarnemingen hiermee bewerken.

Tweede soort kennis

Figuur 10: De tweede soort kennis, de rede ― Thoughtful Reader, František Dvořák[12]

Dit logisch bewerken van de eerste soort kennis is de eerste stap in onze gang naar optimale kennis en het is de stap naar de tweede soort kennis.

Deze stap heeft als voordeel dat de kennis aan betrouwbaarheid en aan waarheid wint, maar het grote nadeel is dat het abstracte kennis wordt. Het is kennis die afgeleid is en niet zoals de eerste soort kennis rechtstreeks verband houdt met de werkelijke wereld.
Het is wel kennis die zich laat uitbouwen en uitbreiden en als we onze rationele vermogens goed gebruiken kunnen we een samenhangend geheel van kennis opbouwen, dat steeds minder afhankelijk wordt van de eraan ten grondslag liggende waarnemingskennis.

Derde soort kennis

Dit geheel van samenhangende tweede soort kennis ontstijgt de ratio op een gegeven moment en krijgt een eigen logica, een vanzelfsprekendheid die zich niet laat uitleggen en die niet te beredeneren is.

Figuur 11: De derde soort kennis, de intuïtie ― Oannès, Odilon Redon[13]

We komen op dan bij de derde soort kennis, de kennis zonder redeneren.
Dat is wat Spinoza intuïtie noemt. De kennis van het al-ene, de kennis van het snappen van het grootst mogelijk geheel. Deze kennis is daarmee niet meer abstract, maar is nu verbonden met het meest concrete dat we ons kunnen voorstellen en dat voorstelbaar en bestaanbaar is.

Dit is de eerste helft van de achtvormige pad. Door logisch redeneren kunnen we uit de onware waarnemingskennis tot ware maar abstracte kennis komen en vanuit deze kennis tot een eenheidsidee dat waar en concreet is.

Het achtvormige pad ― de tweede weg

De andere wijze waarop we het achtvormige pad kunnen doorlopen is van de derde via de tweede naar de eerste soort kennis. Zoals hiervoor gezegd, is het idee van het al-ene ofwel de derde soort kennis een gegeven waar idee dat evenzeer als startpunt als eindpunt kan worden gezien. Dit gegeven ware idee laat zich namelijk op logische wijze uitbreiden en kan op vele wijze leiden tot afgeleide rationele kennis. We kunnen de eigenschappen van het al-ene logisch onderzoeken en hier conclusies aan verbinden. Dit is precies wat we hiervoor gedaan hebben toen we de acht inzichten hebben afgeleid uit het begrip van het al-ene.

We komen op deze wijze weer bij de tweede soort rationele, afgeleide kennis. Deze kennis verliest daarmee de directheid die de eenheidskennis had, maar wordt voor ons eenvoudiger toepasbaar op de dagelijkse zaken die we tegenkomen. In plaats van de intuïtie die iets zegt over het al-ene als geheel zegt deze kennis ons iets over de dagelijks gang van de delen van dit al-ene.
Het is toepasbare kennis, kennis die we kunnen toepassen op de waarnemingen die we dagelijks doen. Met deze kennis kunnen we onze waarnemingen filteren, we kunnen vaststellen waar we fouten maken in onze waarnemingen en zodoende een beter beeld krijgen van de wereld om ons heen.
En zo komen we bij de eerste soort kennis, de kennis uit waarnemingen en ervaringen.

Hiermee heb ik de andere helft van het achtvormige pad doorlopen en zijn we weer terechtgekomen bij de kennis uit waarnemingen. Het achtvormige pad bestaat zodoende uit de mogelijkheid om van de eerste via de tweede naar de derde soort kennis te gaan en vanuit de derde weer via de tweede naar de eerste soort.

De rationele kennis is hierbij de bemiddelaar en het kruispunt tussen de eerste en derde soort. Met de hogere soorten kennis kunnen we de lagere soorten zuiveren en de lagere soorten vormen een praktische toepassing van de kennis van de hogere soort.

Het geheel van kennis, zowel de eerste, de tweede als de derde soort hebben hun functie. Alleen het geheel van al onze kennis kan ons vooruit helpen en het constant doorlopen van dit achtvormige pad laat elke soort kennis optimaal functioneren in het bereiken van ware kennis.

Ethica

Deze soorten kennis en de noodzaak van het doorlopen van dit achtvormige pad maken, maar dat even terzijde, de Ethica van Spinoza ook een hondsmoeilijk boek.

Figuur 12: Naar betere kennis ― Ladder to the moon, Georgia O’Keeffe[14]

Spinoza begint met een begrip dat de kennis van het al-ene vertegenwoordigt, dat hij God noemt. Dit is daarmee een vorm van derde soort kennis die niet overdraagbaar is. Hij legt dit wel rationeel uit maar het echte begrip kan niet rationeel overgedragen worden maar moet door de lezer zelf verkregen worden door zelf door te denken.

Dit vergt een instapbereidheid op een zeer hoog niveau. Paradoxaal genoeg is kennis van de derde soort nodig om de Ethica te begrijpen maar de Ethica is niet meer nodig als we deze kennis van de derde soort al hebben. Spinoza bouwt daarom een bouwwerk op waarbij hij voornamelijk op de rationele kennis voortborduurt. Dit is in zijn abstractie immers de meest eenvoudig overdraagbare kennis, ze is niet afhankelijk van toevallig gedeelde waarnemingen en niet onuitspreekbaar zoals de intuïtieve kennis is.

In het boek neemt hij echter ook uitstapjes naar zowel de meer praktische kant van de waarnemingskennis als naar de doorziene kennis van de eenheid. Hij doorloopt in het boek alle routes van de acht al cirkelt hij het meeste rond in de rationele hoek.

Belangrijk te weten is echter wel dat we met elke soort kennis kunnen instappen. We hoeven ons verstand niet eerst te zuiveren van onjuiste kennis om plaats te maken voor de juiste kennis. De kennis die we nu hebben moet daarentegen in al zijn onjuistheid en juistheid gebruikt worden als basismateriaal.

De hoge instap van de Ethica maakt dit echter niet altijd duidelijk. Echt begrijpen kun je de Ethica pas als je de acht een aantal maal doorlopen hebt door zelf mee te denken.

Het pad naar het einde van de ellende

Het verbeteren van onze kennis door het doorlopen van dit achtvormige pad is echter niet het eindpunt. Het einde van de ellende is niet zo zeer gelegen in het verkrijgen van goede kennis, maar meer nog in het voorkomen van negatieve emoties ― gevoelens die ons naar beneden halen. Voor ons is die relatie tussen kennis en emotie niet meteen duidelijk omdat wij vaak deze beide tegen over elkaar stellen.

Zeker de rationele kennis en onze gevoelens zien wij meestal als tegengesteld. Dit is echter een foutieve voorstelling van zaken, er is geen strikt onderscheid tussen emoties en kennis. Elke emotie heeft een kenniscomponent, we kunnen niet van iets houden, iets haten, iets begeren, iets verafschuwen als we geen kennis hebben van dit iets.
Ons oordeel, onze kennis, leidt aan de andere kant direct en onlosmakelijk tot een gevoel. Er is een directe lijn tussen gevoelens, en dus ook ellendige gevoelens, en kennis.

De vraag is dus welke kennis de beste gevoelens geeft en welke kennis de meest negatieve gevoelens? Dit brengt ons terug bij de drie soorten kennis die ik hiervoor besproken heb.

Gevoelens uit de eerste soort kennis

De eerste soort kennis, de kennis uit waarnemingen en ervaringen, is afhankelijke kennis die sterk wisselt vanwege onze wisselende waarnemingen en ervaringen. De gevoelens die hierbij horen zijn daarmee ook sterk wisselend. De ene keer houden we van iets, de andere keer haten we het. We zullen snel waarderen wat anderen hoog inschatten en ontstemd zijn over dat wat anderen afwijzen. We zullen haten wie ons iets aandoet en treurig zijn om wat ons afgenomen wordt. En al deze gevoelens wisselen constant met de wisselende omstandigheden. Het is alsof we op een scheepje zitten dat constant heen en weer geslingerd wordt door hoge golven.

Gevoelens uit de tweede soort kennis

Hoe anders wordt het beeld als we kijken naar de tweede soort kennis. Als we juist redeneren dan zullen al deze gevoelens niet ontstaan vanuit deze rationele kennis. We weten dan dat alles noodzakelijk is vanuit de eenheid van het al-ene en we kunnen niet haten, niet kwaad of treurig zijn. De ware redelijke kennis, zoals hierboven omschreven in de acht inzichten, laat geen ruimte aan deze ellendige gevoelens. De rede laat slechts ruimte voor een soort gevoel en dat is de blijheid of liefde voor de onderwerpen van deze kennis. Helaas is dit een abstracte liefde, een soort liefde voor wiskundigen.

Gevoelens uit de derde soort kennis

In de derde soort kennis krijgt deze liefde echter een zeer concreet object, namelijk de liefde voor het al-ene. Het is een even rechtstreeks gevoel als het gevoel uit de eerste soort kennis dat we maar al te goed kennen van verliefdheid en geluk voor de meer alledaagse dingen.

Bij de derde soort kennis is het een verliefdheid op alles wat er is. Spinoza noemt deze verliefdheid in de Ethica de verstandelijke liefde voor God. Het is liefde, een blijheid die geen negatieve kanten kent. Het is verstandelijk omdat het geen liefde uit de eerste soort kennis is, die kan wijzigen, maar liefde uit de stabiele derde soort kennis.
Het is een liefde voor God, een liefde voor het al-ene, omdat dit het enige object is van de derde soort kennis.

Figuur 13: De volmaakte liefde ― zonder titel, Mark Rothko[15]

Het verkrijgen van juiste kennis heeft zodoende dus een direct gevolg voor onze gevoelens omdat juiste kennis alleen ruimte laat voor blijheid en liefde.

Natuurlijk leven we in een werkelijke wereld die ons kleine mensen van alles aandoet en ons noodzakelijkerwijs doet lijden aan minder fraaie gevoelens, maar de rede en intuïtie kunnen ervoor zorgen dit lijden minder lang en ingrijpend te doen zijn.
Onze emoties zijn als vaatjes: als we genoeg liefde voor het al-ene hebben, dan kunnen we het vaatje haat daar snel mee legen.

Haat laat zich wegstrepen tegen liefde en tegen de eeuwige liefde voor het al-ene is geen haat opgewassen. We zoeken in onze kennis naar een einde van onze ellende en vinden dit in de liefde voor de juiste kennis. Deze bevrijding is een bevrijding uit ons eigen lijden en deze zal ons direct aanzetten tot de bevrijding van anderen.

In tegenstelling tot geld, eer en lust laat de kennis van het ware zich immers delen zonder dat de waarde afneemt. In tegendeel zelfs, de redelijk levende mens vindt de meeste hulp bij ander mensen die vanuit redelijkheid leven.
Het streven naar eigen geluk leidt zodoende tot het streven naar een gedeeld geluk, het schijnbare egoïsme overstijgt zich en heft zich op. Zoals ook wij ons nietige en op ons zelf gerichte bestaan opheffen in het besef van de eenheid van het al-ene, een eenheid waar alles noodzakelijk van afhangt. De bevrijding van de ellende en het bereiken van ware vrijheid ligt hiermee, hoe tegenstrijdig dit ook mag klinken, in het begrijpen van de noodzakelijkheid van alles.

De wijze, zo spreekt Spinoza zelf aan het einde van de Ethica, zal nauwelijks gemoedsaandoeningen ondergaan maar zal zich met een zekere eeuwige noodzaak bewust zijn van zichzelf, God en de dingen en zal nooit ophouden te bestaan en altijd ware tevredenheid bezitten.
Deze weg, zo gaat hij verder, waarvan ik heb laten zien dat hij daarheen leidt, lijkt erg moeilijk maar hij kan wel gevonden worden. Want als het heil binnen handbereik lag en zonder veel moeite gevonden kon worden, hoe zou het dan mogelijk zijn dat het door bijna iedereen werd genegeerd?

Nee, alles wat schitterend is, is even moeilijk als zeldzaam.

Noten

[1] Copyright (© Rikus Koops 2018). Niets uit deze uitgave mag op enige wijze vermenigvuldigd worden tenzij vooraf toestemming is verleend. Voor informatie of opmerkingen kunt u zich wenden tot info@overspinoza.nl. Gepubliceerd op 1 mei 2018: www.overspinoza.nl.
[2] Bron: Band van Möbius II, M.C. Escher
[3] Bron: Snijden aan gras, Co Westerik
[4] Bron: De hooiwagen, Jeroen Bosch
[5] Bron: Icarus, Hendrick Goltzius
[6] Bron: Het begin van de wereld, Constantin Brâncuși
[7] Bron: Photographic realization of René Magritte’s paintings door Lukas Rüblinger
[8] Bron: Onement VI, Barnett Newman
[9] Bron: Zwart vierkant, Kazimir Malevich
[10] Bron: Klamauk, Jean Tinguely
[11] Bron: Der Wanderer über dem Nebelmeer, Caspar David Friedrich
[12] Bron: Thoughtful Reader, František Dvořák
[13] Bron: Oannès, Odilon Redon
[14] Bron: Ladder to the moon, Georgia O’Keeffe
[15] Bron: zonder titel, Mark Rothko

Rikus Koops

combineert zijn werk bij een ingenieursbureau met allerhande activiteiten rond Spinoza. Op dit moment richt hij zich op het geven van cursussen en lezingen en probeert hij een serie korte notities op te stellen die een specifiek onderwerp binnen de filosofie van Spinoza behandelen.