Visser en vis

0

Druppelsgewijs

Annelie van Steenbergen

Gretig ben ik al lang niet meer. Het ging dan ook niet om seksualiteit alleen. De valstrikken worden gelegd door ijdelheid, weemoedigheid, verlangen naar warmte. Ik had kunnen weten dat je dat niet vindt in het ijskoude water van een ringvaart. Kaalte alom. Een smalle tweebaansweg langs een grasrand. In de berm een grijze Opel Kadett of Ford Taunus met de kofferbakklep open. Groene boogvormige tenten, met kampeerstoel, broodtrommel en thermoskan. Een stuk of wat hengels, waaronder een stevige vaste roede met lijn en een werphengel met lijn en molen. Een gereedschapskist met dobbers, haken en aas. In een apart kistje de ultrasone visopsporingsapparatuur met beeldscherm. Deze sportvissers vernieuwen hun vergunning elk jaar op het plaatselijke postkantoor. Ze betalen en vervolgens mogen ze vangen wat ze willen. Bijvoorbeeld mij. Binnenhalen, haakje uit de lip en met een grote boog terug in het water.

Maar ik beet niet in hun aas. Hen zwom ik in een grote boog voorbij. Puur toeval, zullen jullie zeggen. Ik zeg: instinct.

Scholing is bij ons geen levensvoorwaarde. Toch hoor je weleens wat in de golfstromen. Maar waar hadden ze het over? Wat zeiden ze over de omgang met vorens en barbelen? Nooit eerder had ik zo omfloerst horen spreken, over bubbels en druppels, over gladde wateroppervlakken en schokgolven. Wat zat er achter het geheim van de donkere modder? Zwartgalligheid, hoe kwam ik daarop? Moesten we niet allemaal blij zijn, en opgewekt en gelukkig? Dat was ik ook, zeker. Ik trok rond in mijn eigen element, niets kon mij deren, dacht ik. Tot ik de fuik in zwom van Bernard, de palingvisser.

Fuik[1]

Je hebt passieve vistuigen en actieve vistuigen. Passieve zijn bijvoorbeeld de weer, de beug en de fuik. Tot de actieve horen de zegen en het sleepnet, zoals de bodem- of grondtrawl en de boomkor. Het precieze verschil moet je mij niet vragen. Ik heb het geweten, en even zo snel weer vergeten. Wat me is bijgebleven is het onderscheid tussen passief en actief. Passief tuig staat op zijn plaats, en de prooi zwemt erin tijdens het zoeken van voedsel of bij de trek van en naar paaiplek. Actief tuig sleept door het water of wordt uitgezet als de prooi waargenomen is.

Ik ben het slachtoffer van passief tuig. De vraag is dus of ik mijzelf eigenlijk wel slachtoffer mag noemen. Ik ben tenslotte zelfstandig en actief de fuik in gezwommen. Het enige dat Bernard op zijn geweten heeft is dat hij de fuik heeft gezet. Dat juist ík erin zou zwemmen kon hij vooraf niet weten.

In mijn ooghoeken zag ik aan weerszijden de vleugels van het net. Ik had op mijn schreden kunnen keren, maar ik werd als een magneet naar de opening getrokken en naar de binnenkant van de trechter geleid. Eerst nog in het ruime sop, een schijnbaar onmetelijk universum, waar alles nog mogelijk leek, maar na elke hoepel van het net zwom ik dieper de zak in. Smaller en smaller werd mijn gezichtsveld. Van omkeren was geen sprake meer. De mazen van het net waren zo fijn, dat ik de buitenwereld niet meer waarnam.

Aan het einde van de fuik stond mijn wereld stil. Dat was het moment van Bernard. Hij haalde mij op en keurde. Wijfje, groot en zwaar, lekker vet. Behoorlijk gevorderde geslachtelijke ontwikkeling. Klaar voor de grote oversteek. Voorlopig nog even het leefnet in, de bun van de ijzeren roeiboot met hulpmotor.

Palingvisser[2]

Bernard leunde achterover in de kampeerstoel in de schommelende boot en krabde zijn buik. Maar ik was vereerd, al zou ik dat nooit toegeven. Wat was ik diep gezonken!

Maar kind toch, zullen jullie zeggen, denk eens na! Hoe wil je de gevaren vermijden, de obstakels ontwijken of desnoods overwinnen als je het klappen der zwepen niet kent, als je de mechanismen niet doorziet en symptomen niet herkent. Vergelijken moet je, en keuzes maken, beslissen! Laat niet alles op zijn beloop. Zo kun je niet anders verwachten dan de visser met zijn net.

Aha, dat is makkelijk gezegd vanaf de wallenkant. Om te beginnen de gedachte. De gedachte is veelzijdig als een ijskristal, en even vluchtig boven nul. Net als bij rijp, dat ontstaat als waterdamp zonder tussenkomst van waterdruppels direct in de vaste fase overgaat, heeft de kristallijnen structuur van mijn denkdingen de vorm van waaiers of naalden, van veren of schubben. Maar het dierlijke van mijn gedachten laat zich niet temmen of vangen. Bij de geringste aanraking schiet het weg, tussen wieren, waterpest of kroos. Het verdwijnt in uitspansel of onmetelijke oceaan. Dat betekent, dat er eigenlijk niet te denken valt, vooral niet als de gemoederen verhit raken.

Nee, kijk wat er gebeurt. Laten we dat eens minutieus beschouwen.

Gaan we naar binnen. Hier ben ik ik. Mijn kuit wacht op hom. Zweren gulpen open en bloeden volgens de lijnen der geleidelijkheid. Penetratie is er niet bij. De schuldeloze veroveraar ziet toe vanuit de verre verte. Kom, kom. Nader tot mij, zo zal het zijn. De kieuwen zwiepen, de veroorzakers van ongeluk en venijn beraden zich. Zullen wij of laten wij? Nooit eerder is er met zoveel inzet gecopuleerd, denk je, maar je vergist je. Al ben ik bereid. Nog voor de netten zijn uitgeworpen drijf ik wimperknipper aan het spiegelende oppervlak. En maar wachten tot hij ophaalt.

En zien jullie dan niet de aaneengesloten gelederen van glimlach, oogopslag en brede borst? Ontgaat jullie de geile wijze waarop de onderarm op de dij rust? Valt jullie niet in het oog hoe bij aanvang alles om de ander draait. Ja, bij aanvang zeg ik. Slechts bij aanvang. Zo gauw de toedracht duidelijk is wordt de wekker weer gezet, staat de visser voor dag en dauw naast zijn bed, haalt het visgerij tevoorschijn en vaart in mist en koude regen uit om te zetten en te controleren. Het oude leven herneemt zijn gang.

Elke vergelijking gaat mank. Ik was ook niet Bernards eerste of enige visje, of kippetje, hoe je het wilt noemen. Hij had al ontelbare vorentjes, waterslakjes, schrijvertjes, libellenlarven, pantoffeldiertjes en vele anderen verschalkt. Dat ik een uitzonderingspositie innam had mij mateloos moeten verbazen, maar nee, ik ervoer het als een vanzelfsprekendheid. Werd ik uitverkoren? Ja, natuurlijk, dat snapte ik best…

Onder het zwemmen verlaat de angst mij zelden. Ik verzet me tegen dat gemormel, maar wat heeft het voor zin? Steeds weer dringt het zich op, het bestiert mijn gedachten en ondergraaft mijn gevoelens voor de werkelijke wereld. Liefdesverdriet noch –verlangen bestaat in deze ontheemde vreemdwereld. Gezangen, lichtflitsen, vreemde bewegingen, daar gaat het hier om.

Mijn kant van het verhaal[3]

Luister naar mijn kant van het verhaal. Vanuit grote diepte werd ik geboren in een onmetelijke Sargassozee vol randwervels, tegenstromen en meanders. Mijn ouders verloren elkaar, maar bleven voor altijd samen in mijn gedachten, gek werd ik er van. Maar op een dag, de zon stond hoog aan de hemel en de horizon was ver, verloor ik mijn geduld. Ik blies mijn knapzak op en verliet het gekuip en abuis voor een golvenloze onafzienbaarheid.

Hoe, zul je vragen, verloor ik mijn geduld. Het antwoord is simpel: ineens was het genoeg. Wegduiken is het behoud van het zelf, maar niet iedereen heeft daar begrip voor. Liefde is immers de voortzetting van een gevoel van macht? Ik wil jou en zal jou krij. Maar soms wordt dat ingegeven door een overmatige behoefte aan voortgang. Trekdrang.

Mondelinge vaardigheden zijn niet meer nodig, het ademen gaat moeizaam, maar er is vooruitgang in de uitscheiding. Steeds luchtiger wordt het. Hier, hoor mij, snuif mij, denk ik. Maar niemand hoort, en ruikt. Ja kind, zeggen ze, dit zijn de uitwerpselen van de tijd. Straks komt de ouderdom, maar zover is het nog niet, het slijmig vel is nog aantrekkelijk als de feestjurk van een schijnvoetige amoebe. Soms vraag ik me af of het dit allemaal waard is. Wat was ook alweer de zin van het leven, de vraag zo vaak, ten onrechte, gesteld. Brandstof voor de geest. Straks komt God om voor het licht te zorgen, zegt mijn vader. Maar mijn vader is verdwenen, in de onsterfelijke oceaan.

Dit wetende kunnen we de huidige situatie beschouwen. Hier drijf ik, kinderloos, gedachteloos. De geest is een vreemd gevaarte. Het doet wat je niet denkt te willen. Wie beschouwt mijn denken en trekt aan de touwtjes? In ieder geval niet ik. Of heb ik onbewust doeltreffend gehandeld op het moment van verleiding, op het scherp van de snede?

In mijn leven doen zich zelden aparte ervaringen voor. Nu deze ochtend was het raak. De visser zat niet aan de wallenkant, met zijn werphengel en leefnet, maar hij was uitgevaren in een gammel roeibootje met hulpmotor voor een rondgang langs de uitgezette netten. Hij had zich er helemaal op gekleed: geheel in stijl. Okergeel oliepak, bretels en zuidwester. De ochtend was kil, de nevel hing dik boven het wateroppervlak. Vol verwachting klopte zijn vissershart bij het ophalen van de fuik. Fuik, fuik, fuik. Het was al bijna acht uur. De zon was op, het ontbijt uit het broodtrommeltje was genuttigd, de thermoskan met koffie leeg. Maar in het net glibberde een paling met twee baarsjes.

Zo gaan de dingen, Bernard. Ik lig hier nu voor je. Mijn huid glanst, mijn oog glanst, mijn hart glanst. Het eeuwige ritme van de natuur, hoor je?

Kom hier, Bernard. Ik zal je kelen, ik zal je je oliebroek van je reet trekken, ik zal, ik zal, ik zal. Als je een kerel bent zul je mij herkennen. Ik ben het leven en de liefde en de dood.

Broodje paling[4]

Maar nee, Bernard, het enige dat jij ziet is een lekkere vette paling. Ik ben een paling en jij bent de visser. Ik kronkel onder jouw handen. Je ziet mij, weegt mij, rookt mij, eet mij.

En ik? Ik word door jou gegeten.
En zeg nu zelf, wat wil ik nog meer!

Noten

[1] Bron: palingfuik
[2] Bron: palingvisser 
[3] Bron: paling
[4] Bron: broodje-paling

Annelie van Steenbergen

Annelie van Steenbergen studeerde Wijsbegeerte aan de UvA met als specialisatie Esthetica en cultuurfilosofie en met een minor in de Cultuur- en Godsdienstpsychologie. Als keuzevak volgde ze o.a. Niet-Westerse en vergelijkende Wijsbegeerte bij dr. Karel L. van der Leeuw. Haar eindscriptie behandelde de 20e-eeuwse debatten over mystiek en rationaliteit bij Spinoza.

Schrijf een reactie