Blaf de hond en het hogere plan

0

Bram Moerland

Kort verhaal, bron: brammoerland.com, foto’s Joke Koppius  

De bron van alle wijsheid is, zoals algemeen bekend, de hondenmand. Als ik daarin lig, met mijn kop op mijn poten, starend in de verte, komen de diepste gedachten over de aard van het bestaan tot mij. Deze gedachten gaan samen met de ervaring van pure schoonheid. Dat maakt het voor mij vanzelfsprekend dat deze diepzinnigheden de waarheid zelve zijn. De waarheid kan voorwaar niet lelijk zijn!

Zo is, in de hondenmand, mij het inzicht geworden dat de hond de kroon is van de schepping. Hoewel ook dat inzicht het aspect van pure schoonheid heeft, en dus een evidente waarheid wezen moet, wil ik toch wel aangeven waarom men ook middels een logische redenering tot dezelfde conclusie moet komen.
Wij allen, honden en niet-honden, nemen deel aan de evolutie. Die evolutie kenmerk zich door een streven naar optimalisering van de levensvoorwaarden. Welnu, welk dier heeft het zover gebracht als de hond?

Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen. Ik heb twee dienaren die zich geheel aan mijn voortbestaan wijden. Ik heb hen daar niet met bruut geweld of door arglistige redeneringen, noch middels smekingen toe bewogen. Nee, zij doen dat geheel uit zichzelve als hun antwoord op het simpele feit dat ik besta. Zij voeden en verzorgen mij op een wijze die zij zelf als natuurlijk ervaren. Hun toewijding aan mij vinden zij volstrekt vanzelfsprekend.

Als hond ben ik zo niet alleen biologisch verzekerd van mijn bestaan, ook geestelijk zijn mijn levensomstandigheden optimaal, omdat ik mij dagelijks in mijn hondenmand kan overgeven aan de hoogste vormen van contemplatie. Daarin herken ik het doel van de evolutie, namelijk de uiteindelijke eenwording met het Absolute Zijn. Alleen de hond kan zich, dank zij de menselijke dienaren, ongehinderd door aardse beslommeringen, aan dat allerhoogste doel wijden. Dat doel ervaar ik innerlijk als de roep van het Zijn zelve. Het Zijn roept mij en schept Zelf de voorwaarden waardoor ik aan die roep kan beantwoorden.

Ja, ja, ik weet wel dat mijn dienaren soms niet geheel van harte bereid zijn mij te gerieven. Dan hoor ik hen in gesprek met iemand die zij soms Mijngod, dan weer Sodeju, ofwel Allemachtig noemen. Dan hoor ik hen tegen deze persoon zeggen “Sodeju, ik moet de hond nog uitlaten”, of “Mijngod, ik ben de hondenbrokken vergeten”.

Deze persoon kan ik merkwaardig genoeg niet zelf waarnemen, maar duidelijk is dat hij steeds mijn kant kiest en hen beveelt, als zij murmureren, hun plicht jegens mij alsnog te vervullen. En dat doen zij, zonder mankeren. Ook dat laat mij beseffen dat er meer is, tussen hondenmand en voerbak, dan ik kan ervaren. Het geeft mij een prettig gevoel te weten dat mijn dienaren, in hun zorgend aandeel in de evolutie, streng gecontroleerd worden, al weet ik niet door wie of wat en hoe.

Is er nog een ander dier dat zich zulke levensomstandigheden heeft weten te verwerven? De kat misschien? Nee, dat ligt toch anders. Katten zijn zelfzuchtig en vol begeerte. Ze hebben alleen aandacht voor zichzelf, óf voor hun prooi. Daarbuiten is er voor een kat niets. Katten hebben geen weet van het hogere. Katten kennen niet de verrukking die voortkomt uit de belangeloze ervaring van absolute schoonheid. Daarom is het voor mij duidelijk dat honden verder zijn dan katten op het pad van eenwording.

Ik aarzel om het te zeggen, maar helaas is er de laatste tijd enige onrust geslopen in mijn verwijlen in hogere geestelijke sferen. Het gaat daarbij om een belangwekkende vraag, namelijk deze: ben ik slechts een willoos deel van een groter geheel, of ben ik een zelfstandig individu, met een vrije wil?
Ik kan deze vraag ook anders formuleren: hoe komt het dat ik in de levensomstandigheden verkeer zoals die nu voor mij zijn? Heb ik die verkregen ten gevolge van een Hoger Plan dat de evolutie bestiert, of is dat mijn eigen verdienste?

Zeker, dat is een belangwekkende vraag, zoals ik reeds zei. Want aan het antwoord op die vraag kleven gevolgen.
Die gevolgen betreffen mijn relatie met andere honden. Want het is ook mij wel duidelijk dat niet alle honden in dezelfde gezegende omstandigheden verkeren als ik.
Het lijkt er dus zelfs op dat ik in het proces van de evolutie verder gevorderd ben dan vele andere honden. Die andere honden zwerven op straat, elke dag maar weer hopend, echter zonder zekerheid, iets te vinden dat zij kunnen eten, terwijl mij het eten volgens een strak schema voorgezet wordt.
Als ik mij nu eens om hun lot zou bekommeren, bijvoorbeeld door mijn hondenbrokken met hen te delen. zou ik dan niet het pad van de evolutie achterwaarts afleggen? Zou ik dan niet door een onbesuisde goedheid de evolutionaire sprong teniet doen waar mijn goede leven het gevolg van is? Mag ik dat wel? Waar ligt mijn verantwoordelijkheid, bij de evolutie of bij mijn medehonden?

Stel nu dat mijn gelukzalig lot het gevolg is van een Hoger Plan. Dan ben ik niet persoonlijk verantwoordelijk voor het lot van andere honden in minderbedeelde omstandigheden. Die verantwoordelijkheid kan ik overlaten aan het Plan zelf.
Maar, als ik mijn situatie heb verworven als gevolg van eigen verdienste, dan ben ik een vrij wezen. Dat maakt mij nog niet meteen verantwoordelijk voor anderen, maar ik zou, als vrije hond, die verantwoordelijkheid wel op me kunnen nemen. Het is die theoretische vrijheid tot verantwoordelijkheid die mij onrustig maakt.
Die vrijheid impliceert natuurlijk dat ik gewoon altoos in mijn mand kan blijven liggen. Maar ik zou ook iets anders kunnen doen. Het besef van die andere mogelijkheid – van die oneindig vele andere mogelijkheden! – verstoort steeds weer mijn hondenmandelijke gemoedsrust.
Genade of verdienste, dat is dus in de kern de vraag die mij kwelt. Laat ik trachten door middel van kritisch onderzoek der fenomenen een onbetwijfelbaar antwoord te vinden.

Nu, als ik bij mijn eigen situatie te rade ga, dan is duidelijk dat niet ík mijn twee dienaren heb gekozen. Zij hebben míj gekozen. Zij zagen mij en waren verloren, hoor ik hen regelmatig zeggen. Dat wijst op een voorbeschikking. Mijn dienaren zijn kennelijk deel van het evolutionaire plan. Er is ook een hogere instantie, Sodeju, Mijngod of Allemachtig geheten, die mijn dienaren controleert en hen op het rechte pad van toewijding houdt. En dan denk ik, instemmend tegen mijzelf knikkend: waar controle is moet een plan zijn. Wie zal mij daarin kunnen tegenspreken?

Ik moet op grond daarvan tot de conclusie komen dat mijn lot onderdeel is van een groter geheel, een totaliteit die mijn eigen wil en verantwoordelijkheid verre te boven gaat. Als dat zo is hoef ik mij dus niets aan te trekken van het lot van mijn minderbedeelde medehonden. Hun lot is een deel van het Plan, en ik mag dat Plan niet verstoren door toe te geven aan de zwakte van mijn gemoed.
Dat lijkt mij een geheel sluitende redenering.

Hoe kan het ook anders zijn?
Dat heldere inzicht zou dus moeten bijdragen tot mijn zielenrust. Maar het vervelende is dat dit inzicht niet in staat is de onrust weg te nemen die mij steeds bevangt, telkens weer als ik mij in de hondenmand aan het hogere weten wijd.
Begrijpt u mijn dilemma?

Als denker besef ik dat ik niet verantwoordelijk ben voor het lot van mijn medehonden. Maar iets in mij weerstreeft dat. Het is mij niet duidelijk wat. Is het toch gebrek aan inzicht? Moet ik, hoe onrustig het mij voorlopig nog maakt, voortgaan met mijn contemplatieve studies, hopend dat het zuivere weten en de daarmee gepaard gaande innerlijke vrede mij op enigerlei dag alsnog zal geworden? Dat zal een schone dag zijn, voorwaar!

Of moet ik de wereld in, en wel nu meteen, en waarheen dan, waartoe? Wie ben ik om te denken dat mijn buitenmandelijk geploeter enige invloed zou kunnen uitoefenen op de eeuwigheid van de kosmos? Is dat niet de opperste hoogmoed? Loop ik dan niet juist daardoor mijn hondenlijke bestemming mis om te versmelten met het Zijn? En hoe kom ik dan aan mijn dagelijkse hondenbrokken?
Zoekend naar helderheid wordt mijn verwarring almaar groter.

Het grondprobleem, genade of verdienste, ooit denkend aangevat in volle gemoedsrust, heeft geleid tot existentiële vertwijfeling over de keus tussen versmelten met het Zijn, of ploeteren voor mijn medehonden. Versmelten of ploeteren, dat is dus de vraag, kort samengevat.
Ik moet daar inderdaad nog maar eens rustig de kop voor op de poten leggen.
Maar eerst wens ik nu te beantwoorden aan de roep van mijn dienaren die wederom staan te schudden met een bak van de allerheerlijkste hondenbrokken. Dat wordt weer kwispelen en kwijlen.
Woef!

Bram Moerland

was o.a. docent filosofie aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Met zijn ontdekking van de katharen begon voor hem een historische en steeds persoonlijker wordende speurtocht naar de verborgen spirituele traditie van de gnosis, waarover hij vele lezingen gaf en boeken schreef.

Schrijf een reactie